Praktische theologie

Liturgiek

Module 6A

Auteur: Noeme Visser

Theologische Vorming Gemeenteleden

2006

Inhoud

Woord vooraf

1.            Inleiding: wat is liturgiek?
2.            Liturgische bouwstenen
3.            Geschiedenis
            a) Oorsprong
            b) Ontwikkeling
            c) Verschillende richtingen
4.            Eredienst
a) Basis
b) Sacramenten
            - Maaltijd van de Heer
            - Doop
5.            Dagelijks gebed - Getijden
            a) Getijdengebed in de westerse traditie
            b) Getijdengebed in de protestantse kerk
6.            Kerkelijk jaar
7.         Liturgiek
a) Aandachtspunten
b) Waardvrijheid
8.            Dienstboek
a)       Deel I
b)       Deel II
c)       Gebruik

Literatuur

Bijlage 1: Verscheidenheid aan bouwstenen van de liturgie
Bijlage 2: Verklarende woordenlijst

Woord vooraf

Dit basisstudiemateriaal vormt een oriëntatie in het vak Liturgiek, een praktisch-theologische vak dat zich bezighoudt met het bestuderen van liturgie of eredienst. Een vak dat een van de kernmodulen is van de cursus Theologische Vorming Gemeenteleden. Doel van deze module is de cursist enig inzicht te geven in wat liturgiek is, begripsmatig, historisch en in de praktijk van alledag. Ruim aandacht is er voor de praktijk van de eredienst en het kerkelijk jaar.

Eerst komen het vak liturgiek en de bouwstenen van de liturgie aan de orde. Daarna volgen de oorsprong en de ontwikkeling van liturgie en het doel ervan. Ten slotte komt de resulterende liturgie aan het eind van de twintigste eeuw aan bod zowel de zondagse eredienst als de getijden. Daarbij komen de gang van de dienst zelf in het blikveld, alsook de cyclus van het kerkelijk jaar, de kerkelijke feesten en perioden.

n de bestudering van liturgie kunnen verschillende vooroordelen een rol spelen; daar wordt kort op ingegaan. Er volgt een oriëntatie in eigentijdse liturgische praktijk naar aanleiding van het Dienstboek een proeve, het nieuwe tweedelige dienstboek van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). In het eerste deel staan uitgebreide inleidingen rond de opbouw van de liturgie en het hoe en waarom ervan, dat is een uitgebreide inleiding in de liturgie van de PKN.

In deze module wordt het veld van de liturgiek verkend. In de lessen is er de vrijheid niet alleen oriënterend bezig te zijn. Er kunnen speciale onderwerpen uitgediept worden.

Deze module is geschreven door drs. N.W. Visser, docent Liturgiek van de cursus Theologische Vorming Gemeenteleden. Deze module staat ook op zijn website, naast veel aanvullend materiaal over liturgiek met beeld en geluid. Zie daarvoor: http://noemewv.nl.

Utrecht 2006


1.             Inleiding: wat is liturgiek?

Liturgiek is niet hetzelfde als liturgie. Liturgiek is een praktisch-theologisch vak, dat zich bezighoudt met het bestuderen van liturgie of eredienst. Liturgie is de kerkelijke (ambtelijke) ordening van de gezamenlijke omgang met God. Soms is dit heel mooi onder woorden gebracht, zoals: ‘het geheel van vormen die uitdrukking geven aan dat wat nog geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord: het ‘vriendelijk Aangezicht’ en de ‘Stem van de levende God’ zelf’. [1] Het zoeken van (de omgang met) God is een (algemeen?) menselijk streven. Omdat het een praktisch-theologische benadering betreft, wordt de liturgie gezien als het handelen van de kerk en de kerkelijke gemeente.

Sommige kerkgenootschappen, zoals de rooms‑katholieke kerk, gebruiken het woord 'liturgie' in engere zin voor eucharistieviering of de orde ervan en kennen daarnaast paraliturgische vieringen, zoals vormen van gezamenlijk gebed (gebedsdiensten en getijden).

Naast liturgische gebruiken, die de omgang met God ordenen, zijn er ook paraliturgische en volkse gebruiken. En natuurlijk allerlei vormen van persoonlijke omgang met God. Hier beperken we ons tot de kerkelijk geordende gemeenschappelijke vorm.

 

In de stille week zijn allerlei liturgische, paraliturgische en volkse gebruiken te zien.

Liturgische gebruiken

witte donderdag

goede vrijdag

stille zaterdag

paasnacht

voetwassing

viering avondmaal

 

 

Joods: sedermaaltijd

gezongen evangelie

kruisaflegging

eerbetoon

passion

kruisweg

Wake

paaswake

lof aan het licht

doopgedachtenis

paasspel

viering avondmaal

 

Paraliturgische gebruiken

devotionele gebruiken (ontstaan als compensatie voor de minder toegankelijke Latijnse liturgie?)

mysteriespelen

passiespelen

lekenspelen

devotionele boeken (lijdensdevotie)

bidden van de kruisweg

paasliederen (easter carols) zingen op straat en in tehuizen

 

Volkse gebruiken (tussen vruchtbaarheidsrite en opstandingsviering)

palmpasenstokken, kruisen, takken, versieren van paaseieren, eierboompjes, eierspelen, eiergebak, eiergerechten

paashazen, paastak, paaswatergebruiken, paasvuur,

paasprocessies, ommegangen

In het uiteengroeien van liturgische, paraliturgische en volkse gebruiken zien we dat liturgie en leven niet vanzelf integreren.

 

2.            Liturgische bouwstenen

 

In de liturgie is gesproken taal een van de liturgische bouwstenen. Gesproken taal in de liturgie bestaat in de vaste delen grotendeels uit bijbelcitaten en verwijzingen, en heeft meestal een andere functie dan in de krant (waar de taal meestal beschrijvend is). In de liturgie heeft de taal vaak een niet beschrijvende functie (loven, prijzen, bidden, ervaringen oproepen, toelichten, getuigen, enzovoorts).

Naast gesproken taal worden in de liturgie ook andere geordende zaken als bouwstenen gebruikt: geordende tijd en geordende plaats en ruimte, vormgeving van zintuiglijk waarneembare zaken en geordende handeling (ritueel). Hiermee worden menselijke mogelijkheden benut, die de deelname van héél de mens bevorderen, en niet alleen de rationele kant van de mens.

 

In de liturgie bedrijven de deelnemende mensen zélf de eredienst. Gemeenschappelijk handelen ze zelf, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een toneelvoorstelling of theatershow waar de mensen op het toneel handelen voor de mensen in de zaal. In de liturgie wordt het gebeuren niet op de deelnemers gericht, maar door hen voltrokken. Liturgische elementen zijn geen middelen om mensen aan te spreken, te vermaken of te plezieren, maar middelen om door henzelf gebruikt te worden in de eredienst. Dit geldt ook voor de elementen die de gelovigen ontvankelijk maken voor de ‘stem van de levende God zelf’.

Het Griekse woord leitourgia betekent 'dienstwerk van het volk'. Hoewel etymologie lang niet altijd iets zegt over de functionaliteit van een woord, is hier veelbetekenend dat het volk, de samengekomen gemeenschap, als subject van de eredienst wordt aangeduid. Van de gemeente wordt verwacht dat deze iets doet voor het aangezicht van God, in de hoop en verwachting dat God in hun midden zal zijn.

 

3.             Geschiedenis

 

a) Oorsprong

In de bijbel komen we allerlei liturgische vormen tegen. Dat geldt al voor het Oude Testament. Naast offerdienst komen daar ook voorlezing van de Tora, gebed en beurtspraak voor (bijvoorbeeld een acclamatie van het hele volk). Een aantal gebruikelijke liturgische vormen heeft qua vorm of zelfs qua bewoording zijn oorsprong dus al in het Oude Testament. Denk bijvoorbeeld aan de zegenwoorden: ‘De Heer zegene u en behoede U …’.

De primaire bron voor de christelijke eredienst is echter het Nieuwe Testament. Dit is geen eenvou-dige bron. Het liturgische materiaal bestaat uit fragmenten of geeft een indirecte beschrijving van de gang van zaken die geïnterpreteerd moet worden in het licht van de latere praktijk.

Die interpretatie is niet gemakkelijk. Bijvoorbeeld:

  • Wat kunnen we opmaken over de woorden bij de doop?
    Matteüs 28:19; Handelingen 2:38, 8:16, 37; 10:48; 19:5; 22:16; Romeinen 10:9.
  • Hoorde bij het doopritueel ook zalving met olie?
    2 Korintiërs 1:21 en volgende; Efeziërs 1:13; 4:30; 1 Johannes 2:20, 27
  • Geven de instellingsverhalen van het avondmaal de tekst weer of meer rubrieken waarin de tekst ingevuld kan worden?
  • Wat is de betekenis van de verschillende vormen van handoplegging?
    Handelingen 6:6; 8:17; 9:17; 13:3; 19:6; 1 Timoteüs 1:6; Hebreeën 6:2
  • Geven Lucas 24:13‑35 en Handelingen 20:7‑11 een dienst van Woord en Sacrament weer?
  • Is Handelingen 2:42, 46 een historisch of een geïdealiseerd beeld van de eredienst van de eerste gemeente in Jeruzalem?
  • Wat speelde zich precies af in de lastige gemeentebijeenkomsten te Korinte?
    1 Korintiërs 11 en 14.
  • Wat was de plaats van de 'hymnen' die geleerden in de Nieuwtestamentische tekst ontdekt hebben?
  • Hoe werd de eerste dag van de week gevierd?
    Marcus 16:2 enzovoorts; Johannes 20:19, 26; Handelingen 20:7; 1 Korintiërs 16:2; vgl. Openbaring 1:10

Het bronmateriaal uit het Nieuwe Testament levert meer vragen dan antwoorden. Toch heeft de praktijk van toen geleid tot liturgische tradities die teruggaan op deze oude bronnen. Deze tradities hebben hun eigen kijk op de liturgie. Maar ook binnen de verschillende tradities ontstaan richtingen die heel verschillend denken over liturgie.

 

b) Ontwikkeling

We vatten hier samen hoe de liturgie zich ontwikkeld heeft en hoe deze ontwikkeling door verschillende richtingen geduid wordt.

 

Samenvatting liturgiegeschiedenis uit protestantse hoek

De vroege gemeente

In de eerste drie eeuwen ontwikkelt de christelijke eredienst zich (na de synagoge te hebben verlaten) rondom twee kernen: Schrift en Tafel. Dit resulteert in het volgende patroon:

 

Publieke samenkomst

·          groet (bijvoorbeeld: ‘De Heer zij met u’ – ‘en met uw geest’)

·          schriftlezingen en psalmodie

·          prediking

·          voorbedengebed

·          wegzending van de catechumenen (geloofsleerlingen)

Voortzetting van de eredienst voor ingewijden (‘gedoopten’)

·          groet

·          vredeskus

·          offertorium (aanbrengen van de gaven naar het altaar)

·          eucharistiegebed

·          breking van het brood en communie

·          wegzending van de gemeente

Vanaf de vierde tot de negende eeuw zijn er in het Westen verschillende liturgische tradities: de Gallische (Frankrijk en Duitsland), de Keltische (Ierland, Schotland, Wales), de ambrosiaanse (Milaan), de mozarabische (Spanje) en de Romeinse (Rome).

Vanaf de tiende tot de vijftiende eeuw krijgt Rome in het Westen de overhand. De wereldlijke heersers steken veel energie in het bannen van plaatselijke gebruiken en het vestigen van een eenduidig gezag, zowel wereldlijk als geestelijk. Liturgie wordt zo bindmiddel èn machtsmiddel. Vanaf die tijd wordt het gebruikelijk om het geheel van de viering aan te duiden met de naam mis. [2]

 

Ordinarium en Proprium

De mis kent een aantal vaste onderdelen, het zogenaamde Ordinarium (letterlijk: het ‘gewone van de mis’). Het zijn onderdelen die in elke misviering een vaste plaats en tekst hebben:

·          kyrie (roep om ontferming)

·          gloria (lofprijzing)

·          credo (geloofsbelijdenis) na de prediking. Het credo vormt de overgang naar de dienst van de tafel, waarin het sanctus (‘Driemaal heilig is de Heer’, volgens Jesaja 6 – met het Hosanna en Benedictus) en het Agnus Dei (aanbidding van ‘het lam Gods’ dat de zonden der wereld wegdraagt: Johannes 1, Openbaring 4).

De overige onderdelen van de mis horen tot het zogenaamde Proprium (letterlijk: ‘het (tijd)eigen van de mis’). Deze onderdelen worden tussen het Ordinarium geschoven en hebben per dienst met het kerkelijk jaar wisselende teksten (zoals lezingen, tussenzangen en gebeden).

 

De canon van de mis

De ontwikkeling van het dogma van de transsubstantiatie (rooms-katholieke interpretatie: de reële aanwezigheid van Christus in de eucharistie) heeft ingrijpende gevolgen voor de christelijke eredienst. Het brood wordt hostie (letterlijk: offerande). Dit is een verwijzing naar Efeziërs 5:2: Christus die zich voor ons overgegeven heeft als offergave (oblatio) en slachtoffer (hostia).

In de middeleeuwen komt het gebruik in zwang dat de gewone kerkganger eenmaal per jaar, namelijk met Pasen, communiceert (’zijn of haar Pasen houdt’). Voor zover het kerkvolk de hostie al in ontvangst neemt, doet men dit knielend. Bovendien wordt het gewoonte dat men de hostie niet meer in de hand neemt. De priester legt de hostie op de tong. De verering van de hostie komt op.

De te lezen tekst van het tafelgebed wordt de canon genoemd. [3] De canon wordt zo heilig dat de priester de woorden in stilte bidt uit vrees voor ontwijding. De kerkganger wordt meer en meer toeschouwer bij een magisch gebeuren (Hoc est corpus > hocus pocus). Van de schriftlezingen en preek blijven alleen de lezingen over. De homilie (preek) wordt letterlijk bijzaak.

Zo ontstaan vanaf de dertiende eeuw rituelen waartegen de reformatoren zich zullen verzetten: het in stilte bidden van de priester, de aanbidding van de hostie, en het niet of nauwelijks deelnemen aan de communie door het kerkvolk.

 

In de zestiende eeuw wordt op het punt van de eredienst een radicale heroriëntatie op de oudste bronnen doorgevoerd, zowel aan protestantse (zeer divers) als aan rooms-katholieke kant (het concilie van Trente is ook een liturgiehervorming). De meeste vroeg-reformatorische orden van dienst (tot 1525) beogen een revisie van de mis. Wat onjuist is, moet verdwijnen. De rest mag blijven. Dit betekent met name de verwijdering van de canon.

De mis wordt christlich gebessert, zoals Luther het graag noemt. De vijf ordinariumgezangen worden meestal gehandhaafd. Luther gebruikt gezangen in de volkstaal, om de gemeente als subject van de liturgie meer tot haar recht te laten komen.

Vanaf 1525 beginnen andere reformatoren een radicale hervorming van de eredienst te eisen en in te voeren.

Er wordt grotere afstand geschapen ten opzichte van de roomse traditie uit de middeleeuwen. De ordinariumdelen worden facultatief gesteld (Bucer) of geheel verwijderd (Zwingli en Calvijn). Calvijn en Bucer proberen in de leegte, die achterblijft na het ‘afschaffen’ van de mis, wel een nieuwe liturgische constructie te bouwen.

Voor de reformatoren is het een principekwestie dat de gemeente subject is van de liturgie. Het wordt daarom van belang geacht dat deze in de eredienst kan spreken en zingen. De toeschouwerhouding is naast de misoffer-kwestie een hoofdpunt van kritiek. De gemeente moet zèlf bidden, maar dan als geroepen door God zelf, die haar nodigt tot de viering.

 

Aanknopingspunt voor de reformatoren: de preekdienst (pronaus)

Terwijl Luther vasthoudt aan de zondagse eredienst als dienst van Woord en Sacrament, knopen de andere reformatoren (Calvijn onder druk van de burgerlijke gemeente in Genève) aan bij de middeleeuwse preekdienst. Deze preekdienst (pronaus), die in de landstaal gehouden wordt, is in de middeleeuwen (twaalfde eeuw) ontstaan en ontwikkelt zich in eerste instantie binnen de mis. Later wordt de preekdienst als aparte dienst gehouden, los van de mis.

Deze pronaus heeft een sterk onderwijzend karakter en een didactische doelstelling. Na de preek (in de lands-taal) komt een catechetisch deel waarin achtereenvolgens het Onze Vader, de Apostolische Geloofsbelijdenis en de Tien Woorden gereciteerd worden. Dit is een catechetische drieslag: geloof – gebod – gebed. Op dit catechetisch gedeelte volgen de openbare schuldbelijdenis (offene Schuld) en een gebed om vergeving van zonden. Elementen, die in de pronaus na de preek (ter onderwijzing) aan de orde komen, zijn voor diverse reformatorische orden van dienst van belang geweest.

De liturgie heeft steeds uit veel bijbelteksten en bijbelverwijzingen bestaan. Calvijn zoekt daarnaast naar een bijbels‑theologische verantwoording van de diverse liturgische momenten.

 

Verlichting en Romantiek

De ontwikkelingen in de cultuur van de achttiende eeuw hebben grote invloed op de protestantse liturgie. In de Woordverkondiging wordt het gesproken woord (in het bijzonder de preek, de leerrede) een monopoliepositie toegekend. De concentratie op de preek, als de exclusieve vorm waarin het Woord van God naar de gemeente toekomt, resulteert in de gedachte dat het lied alleen een reactie op het gesproken Woord is. (Liturgie = preek met een versje). De hervorming van de liturgie in de twintigste eeuw is vooral een reactie tegen deze ontwikkeling en voltrekt zich door een herbronning vanuit de oudste liturgische traditie.

 

Visies op de ontwikkeling van liturgisch materiaal

Bij de vraag hoe de liturgie zich ontwikkeld heeft, kan iets afstandelijker gekeken worden naar het liturgisch materiaal uit verschillende eeuwen. Tijdens de ontwikkeling ontstaan ook nieuwe vormen. Daarbij is het de vraag of dat een nieuwe ontwikkeling van eigenlijk al bestaand materiaal is, of dat er nieuwe liturgie ontstaat. Dat wordt verschillend ingeschat. Daarom wordt de ontwikkeling van hetzelfde historische materiaal op verschillende manieren samengevat.

 

Globaal komen we de volgende posities tegen:

1.       Het vroegste liturgische materiaal ligt het dichtste bij de Joodse praktijk van Jezus en zijn discipelen. Daarom is dit de bron waaruit geput moet worden bij de samenstelling van modern materiaal. Door de eeuwen heen is het materiaal uit die bron veranderd, vervormd en verworden.

Binnen deze optiek is liturgiehervorming: terug naar de bron.

2.       Liturgisch materiaal ontwikkelt zich. Maatschappij en kerk ontwikkelen zich en de liturgie ontwikkelt mee en voorziet in de ontstane behoeften. Latere vormen zijn daarom niet slechter, eerder beter.

Binnen deze optiek is liturgiehervorming: het verder ontwikkelen van de overgeleverde liturgie binnen de zich verder ontwikkelende maatschappij.

3.       De ontwikkeling van de kerk kent een aantal bloeiperioden en een aantal vervalperioden. Binnen deze optiek is liturgiehervorming: oriëntatie op bloeiperioden.

 

In protestantse kring (maar niet alleen daar) komen we het ‘bloei-verval-herstel-model’ tegen. Na aanvankelijke bloei in de vroege gemeente komt er verval en wildgroei in de middeleeuwen, gevolgd door herstel bij de hervorming. Deze cyclus herhaalt zich en in onze tijd is herstel geboden door oriëntatie op de vroege kerk.

De liturgische beweging, die vroeg in de twintigste eeuw in protestantse kring ontstaat rond ds. J.H. Gerretsen en prof. dr. G. van der Leeuw, hanteert dit model wel, maar wordt ook sterk aangesproken door allerlei latere westerse liturgische vormen.

In rooms-katholieke kring legt men meer de nadruk op de ontwikkeling en de waarde daarvan (God werkt in het traditieproces). Toch ontstaat daar aan het eind van de negentiende eeuw de liturgische beweging die zich bij hervorming van de liturgie oriënteert op het vroegste materiaal.

 

Als we alleen naar het historisch-liturgisch materiaal kijken, zien we een aantal patronen:

  1. De ontwikkeling van pluriformiteit naar een min of meer grote uniformiteit. De lokale liturgische vieringen worden op den duur gevat in 'interlokale' liturgische families, die zich vormen rond de belangrijke culturele en theologische centra van die tijd, zoals Antiochië, Alexandrië, Rome en Constantinopel.
  2. De ontwikkeling van het vrije en geïmproviseerde gebed (een patroon wordt gevolgd maar de tekst ligt niet vast) naar formuliergebeden. Een formuliergebed is een onveranderlijk gebed, en vaak het eindpunt van een lange mondelinge overlevering.
  3. De ontwikkeling van eenvoudig naar versierd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijk eenvoudig ritueel door toevoegingen wordt verfraaid, vaak ten koste van de doorzichtigheid.
  4. De ontwikkeling waarin oude riten moeten plaatsmaken voor nieuwe. Sommige oude riten worden voor speciale gelegenheden bewaard. Dit gebeurt bijvoorbeeld met een serie voorbeden, die gaandeweg uit de zondagse liturgie verdwenen zijn, maar bewaard blijven voor Goede Vrijdag.
  5. De ontwikkeling van teksten, waarin met bijbelse motieven wordt 'gespeeld', naar teksten waarin bijbelcitaten thematisch worden toegepast. [4]

 

Mensen staan zelden vrijblijvend tegenover liturgische vormen, waarschijnlijk omdat deze niet alleen verstandelijk maar ook zintuiglijk aanspreken. De eigen ervaring met liturgische vormen vanaf de jeugdjaren speelt daarbij een rol. Sommige mensen hangen naar het oude, anderen streven juist naar het nieuwe. Afhankelijk van de omgang met bestaande en overgeleverde liturgie, kunnen we mensen indelen in de volgende groepen:

  1. Traditionalisten. Zij stellen dat de in de traditie gegroeide liturgie perfect is en zo gehouden moet worden.
  2. Neo-traditionalisten. Zij hebben oog voor de noodzaak van enige vernieuwing van liturgie, maar zien de echte waarde van de liturgie meer in de aansluiting bij de traditie dan in de vernieuwing.
  3. Liturgiehervormers. Zij stellen dat de traditionele liturgie grondig vernieuwd moet worden om voor de moderne mens zinvol te zijn.
  4. Voorstanders van een moderne liturgie. Zij stellen dat de vorm van de eredienst moet voort-vloeien uit waar het over gaat en gebruik moet maken van eigentijdse uitdrukkingsmogelijk-heden. (In de praktijk maken zij echter toch veel gebruik van traditionele vormen.)

 

In de tijd van de grote liturgievernieuwing in de rooms-katholieke kerk, in de tweede helft van de twintigste eeuw, is het veld op het rooms-katholieke erf verdeeld in voor- en tegenstanders. De tegenstanders willen de traditie ongewijzigd laten bestaan, de voorstanders zoeken naar eigentijdse vormen die aansluiten bij de beoogde parochianen (gemeenteleden). Door deze confrontatie komt het gesprek op gang over wat er nu eigenlijk in de liturgie gebeurt.

 

Door Vaticanum II wordt een heroverweging op gang gebracht wat er gebeurt in de eredienst. Bij-voorbeeld: Hoe moet je met een Halleluja-vers omgaan, dat als inleiding op het evangelie wordt gezongen?

1.       Voor Vaticanum II leest de priester (of de cantor) in zijn missaal Halleluja (plus vers). Hij voert dit gesproken uit in de laagmis en laat het zingen (Graduale Romanum) in de hoogmis.
Er wordt niet nagedacht over de functie, de zeggingskracht of de betekenis ervan.

2.       Door de mogelijkheid en het verlangen om in de volkstaal te vieren ontstaat een liederen-repertoire. Dus denkt men na wat de rite zeggen wil: de functie van het halleluja‑vers is oproepen, acclameren. Meestal ziet men geen noodzaak het woord halleluja te vertalen, maar wel het toegevoegde vers. Dan ontdekt men dat 'Halleluja, Christus is verrezen' om bijpassende muziek vraagt, wil het echt een oproep, een acclamatie, zijn. Toch zit men nog sterk vast aan de oude modellen, de muziek wordt neo-gregoriaans, neoklassiek, enzovoorts. Soms gebruikt men nog het gregoriaans, al is het slechts voor het halleluja. Het doel is de rite meer te laten zeggen.

3.       Er wordt gekeken naar de gebruikersgroep: wie, welke gemeenschap is hier aan het vieren?
Wat is de cultuur, de smaak ervan? Wat zijn de mogelijkheden van cantor, koor, instrumentalisten? Enzovoorts. Met deze rituele en pastorale gegevens kiest de verantwoordelijke de meest geschikte vorm. Zo komen er verschillende muzikale vormen: voor een gemeenschap van contemplatieven (gregoriaans); voor een middelbare school (ritmische muziek?); voor kinderen (halleluja en handengeklap of de armen in de lucht?); voor een parochie met een klassiek koor of met een begaafde organist.

 

Op het protestantse erf is het veld verdeeld in groepen die aan liturgie doen en groepen die zeggen daar niet aan te doen. De laatsten gaan door zoals ze gewend zijn of proberen hun vormen zoveel mogelijk uit de situatie te laten voortvloeien. Traditie en context spelen dus niet alleen bij rooms-katholieken een rol.

 

c)  Verschillende richtingen

Binnen de westerse kerk bestaan niet alleen rooms‑katholieke kerkelijke liturgische tradities, maar ook oud‑katholieke, anglicaanse, lutherse, gereformeerde, remonstrantse, doopsgezinde, methodistische, baptistische en evangelicale. Hoewel ze minder kerkelijk georganiseerd zijn, hebben ook de quakers en allerlei vrije groeperingen liturgische tradities (ook als ze dit zelf misschien niet zo noemen). De bekendste niet‑westerse traditie is de oosters-orthodoxe traditie, die ook een aantal geledingen kent.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw is er ook in het protestantisme een liturgische beweging actief, die zich oriënteert op de vroegste liturgische bronnen. Daardoor gaan de hervormde liturgie van de rooms-katholieke kerk, de anglicaanse kerk en de oud-katholieke kerk, en de hervormde liturgie van de protestantse kerken, sterk op elkaar lijken. Dit leidt tot overeenkomst over de vorm in het rapport Baptism, Eucharist and Ministry van de Wereldraad van Kerken. [5] Er gaan tijdens deze parallelle beweging stemmen op om alles wat hiervan afwijkt niet als liturgie aan te merken.

Sindsdien (1982) is er weer sprake van diversificatie: het verplicht stellen van een bepaalde vorm van liturgie wordt niet zomaar geaccepteerd in het begin van de huidige eeuw.

Als men uitgaat van een ruim liturgiebegrip, valt daar zowel de orde van een quakerbijeenkomst (samenkomen, in stilte bijeenzijn, uiteengaan) onder als een sobere protestantse dienst ('preek met een versje'). Maar ook een hoogliturgische viering met een bisschop en priesters, diakenen, acolieten, een cantor en koorzangers.

 

4.             Eredienst

 

De definitie van liturgie luidt: de ordening van de gezamenlijke omgang met God, waarbij de gemeente  handelende 'persoon' is. Dit geeft al aan waar liturgie voor bedoeld is.

De taal van de liturgie is omgangstaal, voor de omgang met God; niet in de eerste plaats de taal van het hoofd. Mensen hebben met woorden omgang met elkaar, maar ook met handelingen, gebaren, gestes. Zo zijn er in de omgang met God ook gesproken en gezongen taal, beeldtaal, handelingen en rituelen, ordening in tijd en ruimte. Betekenis wordt niet alleen door een grammaticaal verband gegeven, maar ook door associatie en ervaring. Soms worden alle zintuigen ingeschakeld (gezicht, smaak, reuk, tast, gehoor). Daardoor wordt de hele mens, en niet alleen zijn verstand, opgenomen in het verband van de eredienst.

 

a) Basis

Praktisch-theologisch wordt bij de liturgie gekeken hoe de gemeente in de eredienst haar omgang met God gestalte geeft. Elke eredienst kan voorgesteld worden als een cirkel. Mensen komen samen en vormen een kring, met de verwachting dat er in die kring iets betekenisvols zal plaatshebben:

de opening van het Woord en het vieren van de sacramenten. De kring die zich sluit is niet naar boven toe gesloten, maar verwacht juist dat er in de samenkomst van Godswege iets zal gebeuren. De overgeleverde oecumenische orde van dienst drukt dat uit met:

 

- Intrede (vroeger voorbereiding genoemd)

Hierin wordt duidelijk in welk teken de samenkomst staat. Mensen spreken hun afhankelijkheid van God uit, in het gebed van toenadering (in de oecumenische Orde A) door de bede om toenadering of vergeving, en in het verwoorden van de nood van zichzelf en de wereld om hen heen. Nood waar ze zelf niet uitkomen en daarom aan God voorleggen (kyrie). De voorbereiding wordt afgesloten met het prijzen van God, want Hij heeft zich laten kennen als de Betrouwbare die niet vergeefs op zich laat wachten (gloria).

Er zijn meerdere vormen van intrede (voorbereiding), uitgebreider en minder uitgebreid. Een veel gehoord bezwaar tegen de klassiek gereformeerde schuldbelijdenis en genadeverkondiging (Orde B) is de ervaren individualistische inslag en de grote nadruk op zonde. Dat is waarschijnlijk vooral een kwestie van invulling. De oecumenische variant (Orde A) kent ook de schuldbelijdenis: in het gebed van toenadering en de afhankelijkheid van God kan deze ook collectief als nood van de wereld verwoord worden in het kyriegebed. Praktisch-theologisch is er voor het goed functioneren de voorwaarde dat de vorm van intrede (voorbereiding) moet aansluiten bij de deelnemers (anders kan deze voor de betrokkenen niet als zodanig dienstdoen).

 

- Heilige Schrift

Na de voorbereiding worden de Schriften geopend in de heilige Schrift (vroeger dienst van het Woord genoemd) waarin na een inleidend gebed gedeelten van de Schrift klinken (twee lezingen: Oude Testament en Nieuwe Testament, of drie lezingen: Oude Testament, apostellezing, evangelielezing), al of niet afgewisseld met bijpassende gemeentezang.

 

Als het Woord werkt in het midden van de gemeente dan komt er een nieuwe beweging op gang. Vanuit de relatie met God komt de relatie met de naaste (en de hele schepping) in het vizier.

Dit uit zich in:

- Voorbeden

- Inzameling van de gaven

- Maaltijd van de Heer

In een dienst van Schrift en Tafel wordt de beweging van God via mensen nog extra onderstreept: Mensen worden geconfronteerd met Gods grenzeloze gastvrijheid en mededeelzaamheid. In de tafelgemeenschap vindt de diaconie, de dienstbaarheid aan de wereld haar diepste motivatie (nog sterker dan in de dienst van het Woord).

 

- Zegen

In de zegen worden mensen van Godswege gezegend met ‘brood voor onderweg’ de wereld weer ingestuurd.

 

b) Sacramenten

In de westerse liturgische traditie worden meerdere sacramenten in ere gehouden. Een sacrament wordt omschreven als een uitwendig teken, door God ingesteld, waarin genade wordt aangeduid en gegeven. Protestanten erkennen slechts de twee sacramenten waarvan de evangelisten vermelden dat Jezus Christus deze zelf heeft ingesteld: Doop en Maaltijd van de Heer (avondmaal).

De rooms-katholieke kerk kent zeven sacramenten: doopsel, vormsel, huwelijk, priesterwijding, boete en verzoening, ziekenzalving, eucharistieviering. Het zijn er zeven omdat de rooms-katholieke kerk een wat ruimere definitie hanteert: een sacrament gaat terug op het woord en leven van Jezus Christus. Er hoeft geen sprake te zijn van een ‘letterlijke’ instelling door Jezus Christus. Omdat de sacramenten met Jezus Christus verbonden zijn, is het bedienen ervan voorbehouden aan zijn ‘ambtelijke vertegenwoordiger’: de predikant, c.q. priester.

De orde voor de Maaltijd van de Heer, zoals die gewoonlijk op zondag gevierd wordt, vindt men in Dienstboek I. De orde voor de Maaltijd van de Heer in bijzondere omstandigheden is te vinden in Dienstboek II. De orde voor het sacrament van de doop is eveneens te vinden in Dienstboek II. (Zie de toelichtingen aldaar.)

 

Maaltijd van de Heer

Praktisch-theologisch wordt vooral naar gemeenschappelijke vormgeving en beleving gekeken.

In de liturgie en de reflectie erop is steeds geput uit de bijbel: voor bewoordingen, voor de opbouw van de dienst, en voor wat er gevierd en beleefd wordt (bijvoorbeeld Calvijn). Bijbelgedeelten die ermee verbonden kunnen worden geven een bijbelse invulling aan de inhoud en beleving van de maaltijd.

In de eerste plaats zijn er de bijbelgedeelten rond de instelling en het vieren van het avondmaal met hun duiding van het gebeuren. Daarnaast zijn er bijbelgedeelten die opgeroepen worden door de woorden bij het avondmaal. Dit zijn niet alleen woorden van Jezus zelf, zoals in Johannes 6, maar ook woorden rond de oorsprong van het feest dat gevierd werd bij het laatste avondmaal en woorden rond maaltijden die een verbond bezegelden.

 

Hier volgt een aantal belevingsaspecten van de Maaltijd van de Heer ontleend aan de Schrift.

Maaltijd van de Heer als respectievelijk:

 

Gedachtenismaal

Viering van de bevrijding. Herinnering en actualisering van de bevrijding.

Zie bijvoorbeeld Exodus 12-13. Pesach.

 

Offer van het eigen leven

Ingaan op de uitnodiging is antwoord geven op wat Jezus ons gaf: zijn eigen leven. In de brieven wordt veel opgeroepen tot deze navolging.

 

Verbondsmaal

Zie Exodus 24. Jezus spreekt over een nieuw verbond bij de drinkbeker van het avondmaal: Matteüs 26:28; Marcus 14:24; Lucas 22:20; 1 Korintiërs 11:25.

Bijvoorbeeld Lucas 22:20: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.’

 

Leeftocht voor onderweg

In het verlengde van de Paschaviering geeft God in de woestijn manna als leeftocht voor onderweg naar het beloofde land. Exodus 16:4 ‘De heer zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uitgaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben’.

Zie ook Johannes 6:58. Er zijn meer verhalen die erover gaan dat God leeftocht voor onderweg geeft. In 1 Koningen 19 lezen we over Elia's tocht naar de Horeb, waar hij God zal ontmoeten.

 

 

Gemeenschaps-maal

Ontmoeting/gemeenschap met God en met mensen. Zie bijvoorbeeld Genesis 18: drie mannen op bezoek bij Abraham; Lucas 11: de verloren zoon; Lucas 24:13: Emmaüsgangers; Johannes 21: Petrus in ere hersteld; Lucas 5 en Johannes 21: wonderbare visvangst.

 

Bruiloftsmaal,

of preciezer gezegd:

voorsmaak van het eschatologische bruiloftsmaal

In het Oude Testament komen wij het beeld van de gemeente als bruid en God als bruidegom tegen in Hooglied, Jesaja (bijvoorbeeld 62:5) en Hosea 2:18: ‘Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig’. (NBG)

In het Nieuwe Testament vinden we in de evangeliën het verhaal van de vijf wijze en vijf dwaze maagden, waar wel sprake is van een bruiloft, maar de meisjes mogen er aan meedoen.

Matteüs 9:15: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de bruidegom bij hen is?’ (Marcus 2:19, Lucas 5:34). Duidelijker komt de bruiloft naar voren als beeld van de voleinding in de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal (Matteüs 22). In Lucas 14:12-16 wordt Gods genade ten voorbeeld gesteld voor het alledaagse leven.

In het boek Openbaring treffen wij het beeld van het feestmaal ook aan: Openbaring 3:20: ‘Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij.’ en Openbaring 19:17: ‘Komt, verzamelt u tot den grote maaltijd Gods.’ (NBG)

 

Doop

De bediening van de doop is door de eeuwen heen nauw verbonden met de viering van de kern van het geloof, het paasfeest. In sommige perioden wordt de doop uitsluitend in de paasnacht bediend. In de tijd van voorbereiding op Pasen genieten de geloofsleerlingen hun laatste onderricht. De schriftlezingen geven in deze weken de belangrijkste momenten van dit onderricht aan. Deze tijd van voorbereiding, catechumenaat genoemd, wordt afgesloten door de doop en de opneming in de gemeente, tijdens de viering van de paasnacht. De traditionele lezingen tijdens de nachtwake vormen samen als het ware een 'kort begrip' van het hele dooponderricht.
In de loop der eeuwen is de kerstening zover gevorderd dat het accent verlegd wordt naar de doop van pasgeboren kinderen. De weg die geloofsleerlingen gezamenlijk gaan ter voorbereiding van hun doop raakt geheel op de achtergrond. Daarmee vervalt het catechumenaat en wordt de directe verbinding van de gemeente met het paasfeest geleidelijk verbroken.

Kinderdoop wordt in de bijbel niet met name genoemd. Wel wordt gesteld dat mensen 'met hun gehele huis' gedoopt worden en dat het heil ook voor hun kinderen is (Handelingen 2:38 en volgende; 16:15,33; 18:8). In de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs (1:16), een  van de jongste geschriften van het Nieuwe Testament, wordt gezinspeeld op de kinderdoop. Als dit alle bewijs voor kinderdoop is, is dat mager. Er zijn in vroege, buitenbijbelse geschriften (en grafschriften) wel allerlei vermeldingen van kinderdoop. Deze blijkt vanaf het begin regel te zijn. Over speciale gevallen wordt uitgebreid gediscussieerd. Zijn ongeboren kinderen bijvoorbeeld als gedoopt te beschouwen als hun moeder gedoopt is, of moeten ze zelf na de geboorte gedoopt worden?

 

In de vierde eeuw wordt het christendom de officiële godsdienst van het Romeinse rijk. De kerk groeit enorm en er ontstaan problemen rond de (kinder)doop. Omdat de doop gezien wordt als ‘magisch’ middel om de zonden teniet te doen, stelt men deze uit tot vlak voor de dood, maar in ieder geval tot na de woelige jeugdjaren. Later verdwijnt dit gebruik weer. Als vrijwel iedereen uit gedoopte ouders geboren en als kind gedoopt wordt, is er geen gelegenheid meer de zonden kort voor de dood te laten afwassen.

In nieuwe doopliturgieën oriënteert men zich op vroege doopliturgieën. Omdat de symboliek van de doop spreekt van ondergaan in water zoals Christus onderging in de dood, en met Hem weer verrijzen, wordt de doop als wezenlijk onderdeel van de paasnachtviering gezien. Elke doopviering begint met een gedachtenis aan de eigen doop van alle aanwezige gelovigen. Hierdoor wordt de viering van Christus’ doortocht verbonden met het persoonlijk geloofsleven. Als er in de paasnacht geen dopeling is, is er daarom toch een doopgedachtenis.
De symboliek van water beperkt zich niet tot ‘ondergang in en verrijzenis uit het water’. De symboliek kan ook opgevat worden als de afwassing van de (erf)zonde. Vooral in de doop door overgieting van het hoofd wordt het teken op het voorhoofd herkend, dat als merkteken van het toebehoren aan God geldt. Dit komt op meerdere plaatsen in de bijbel naar voren. In de persoonlijke beleving kan een bepaald aspect overheersen.

 

5.             Dagelijks gebed – getijden

 

a) Getijdengebed in de westerse traditie

Er is ook een traditie van dagelijkse gebedsdiensten: in de ochtend, middag en avond, of zelfs vaker. Deze gebedsdiensten worden ook wel getijden genoemd. Het getijdengebed stamt uit de tempel- en synagogedienst en wordt ook thuis gepraktiseerd. In het Oude Testament vindt men allerlei voorbeelden (Numeri 28, Psalm 55:18). De eerste christenen nemen dit gebruik over en komen in de tempel bijeen op geregelde gebedstijden (Handelingen 2-4).

Volgens geschriften uit de eerste eeuwen wordt er in groepen drie keer per dag het Onze Vader gebeden in het huis van de gemeente. Op deze manier worden de ochtend, middag en avond gemarkeerd. Later worden de drie gebedsmomenten uitgebreid tot zeven of acht keer per dag: ‘Bidt zonder ophouden’! Het is vooral Benedictus van Nursia die dit in het klooster een vaste vorm geeft. In veel kloosters is tegenwoordig het aantal getijden beperkt tot vijf of zelfs minder.

 

De acht getijden (ook wel officie genoemd) zijn:

·         metten             (ook wel vigilie genoemd) rond 5 uur

·         lauden             rond 6 uur

·         priem                rond 7 uur (tegenwoordig voor de priesters en in de meeste kloosters afgeschaft)

·         terts                 rond 9 uur

·         sext                  rond 12 uur

·         noon                 rond 14 uur

·         vespers             rond 17 uur

·         completen             rond 20 uur

 

De getijden worden ingedeeld in grote en kleine getijden. De metten, lauden en vespers vormen de grote getijden. De priem, de terts, de sext en de noon zijn de kleine getijden. Ook de completen horen bij de kleine getijden.

In het kloosterlijk officie worden de honderdvijftig psalmen uit de Bijbel gebeden, verspreid over de week. Dit gebeurt niet in berijmde vorm, zoals bij de protestanten, maar op reciteertoon. In sommige kloosters worden elke week alle honderdvijftig psalmen gebeden, in andere verspreid over twee weken. In de anglicaanse kerk worden ze sinds het Book of Common Prayer over een maand verspreid gebeden.

Alle getijden hebben een lezing uit de Bijbel en smeekgebeden.

De calvinistische reformatie schaft de kloosterlijke getijden af en verschuift deze praktijk in afgeslankte vorm naar de huiselijke kring. Daar wordt voortaan bij de maaltijden uit de Bijbel gelezen en gebeden.

De muziek van de kloosterlijke getijden is traditioneel het gregoriaans. Waar Nederlands wordt gezongen is nieuwe muziek gecomponeerd die vaak sterk aan het gregoriaans doet denken. In Nederland wordt de psalmvertaling van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde in de kloosters het meest gebruikt. In het Abdijboek (zie literatuurlijst) zijn Nederlandstalige zangteksten met bijbehorende melodieën geschreven door verschillende monniken en zusters.

Het koorgebed van priesters heet het breviergebed. Het boek waaruit priesters de getijden bidden wordt brevier genoemd. Het middeleeuwse getijdenboek was bestemd voor de persoonlijke devotie van leken.

 

b) Getijdengebed in de protestantse kerk

In het nieuwe Dienstboek is een speciaal deel gewijd aan de getijden: Dienstboek 1, vanaf pagina 951: Het dagelijks gebed. Getijden en huisdiensten. [6] Er zijn orden voor gemeenschappelijk en voor persoonlijk gebruik (vanaf pagina 978). Het materiaal voor persoonlijke devotie is gedeeltelijk gerelateerd aan gemeenschappelijke eredienst, zoals de orden voor persoonlijk gebed en de gebeden ter voorbereiding op de eredienst (pagina 762 en volgende). Er zijn ook ‘Oefeningen voor inkeer en verstilling’ (vanaf pagina 1145).

 

6.            Kerkelijk jaar

 

De basisbeweging van het kerkelijk jaar is het gezamenlijk meebeleven en vieren van de heils-geschiedenis die zich in Jezus Christus heeft voltrokken:

-         de verwachting van zijn geboorte (advent)

-         de viering van zijn komst op aarde (Kerst)

-         Zijn optreden (epifanieëntijd)

-         het toeleven naar de grote dagen rond Pasen (veertigdagen- of lijdenstijd)

-         het vieren van de drie heilige dagen van lijden, sterven en opstanding

-         het vieren van de opstanding, vijftig dagen lang in de paastijd

-         veertig dagen na Pasen: de hemelvaart

-         vijftig dagen na Pasen: de uitstorting van de heilige Geest (Pinksteren).

De tijd tussen Pinksteren en advent heeft een minder duidelijke invulling. [7]

In de niet-protestantse tradities is deze jaarcyclus aangevuld met feesten rond sacrament en heiligen (het liturgisch jaar). Het leesrooster geeft de basisbeweging van het kerkelijk jaar gestalte. In de westerse traditie is dat het oude klassieke oecumenische leesrooster dat elk jaar opnieuw gebruikt wordt. In het Dienstboek treffen we dit aan als het evangelisch-luthers dienstboek.

 

Na het Tweede Vaticaans Concilie neemt de rooms-katholieke kerk – om meer verschillende bijbel-gedeelten in de eredienst te gebruiken – een driejarig rooster in gebruik. De oecumene neemt later het hiervan afgeleide Common Lectionary als driejarige richtlijn voor de lezingen aan. Het gemeen-schappelijke leesrooster uit het Dienstboek is hiervan de versie van de Protestantse Kerk in Nederland. Het Dienstboek geeft ook alternatieve roosters, bijvoorbeeld om in de protestantse traditie de Bijbel van begin tot eind door te lezen. Hierbij wordt niet uitgegaan van het kerkelijk jaar. [8]

 

7.             Liturgiek

 

Liturgie kun je op verschillende manieren bestuderen. Vaak worden bepaalde aspecten onder de loep genomen. Je kunt vanuit een bepaald uitgangspunt naar liturgische verschijnselen kijken. Hier kijken we naar de liturgie met praktisch-theologische ogen: de liturgie als het handelen van de christelijke gemeente in de gemeenschappelijke omgang met God.

 

a) Aandachtspunten

Bij de praktisch-theologische bestudering van de liturgie kunnen verschillende aspecten de aandacht krijgen:

-         Ordening

Hoe is de omgang van de gemeente met God geordend in een dienst? Hoe zijn de kerkelijke feesten in het jaar geordend en waarom?

-         Achtergrond

Welke theologie zit er achter een bepaalde vorm van eredienst? Is deze theologie orthodox of vrijzinnig, of ergens daar tussenin? Is het een vierende of een lerende dienst? Zijn de sacramenten sacramenteel of symbolisch? Hoe verhoudt zich een vorm van eredienst met de Joodse tempeldienst en met de dienst in de synagoge? Wat is de ontwikkeling van de eredienst in de verschillende tradities? In de praktisch-theologische benadering is dit alleen relevant voor zover het belangrijk is voor het functioneren ervan in de omgang van de gemeente met God.

-         Inhoud qua vorm

Welke menselijke mogelijkheden worden ingeschakeld: verstand, zintuigen, motoriek, verlangen, wil?

§          Bij het inschakelen van menselijke mogelijkheden op niet‑rationeel niveau spelen een rol: betekenisgeving in ordening, ritueel, gebaar, zang / instrumentale muziek, tekst, kleur en kleed, ruimte, aankleding. Hoe spelen die een rol in de omgang van de gemeente met God?

§          Bij het activeren van menselijke mogelijkheden wordt gebruikgemaakt van rolverdeling: ambten, diensten, functies: Wie doet wat? Hoe wordt dit alles dienstbaar gemaakt aan de omgang van de gemeente met God?

§         Inhoud qua spanningsboog (spanning – ontspanning): Hoe is de volgorde en de verhouding van de onderdelen in de verschillende vormen van eredienst? Is er een hoogtepunt? Is dit dienstbaar aan de omgang van de gemeente met God?

-         Soorten eredienst

Hoe en met het oog waarop handelt de christelijke gemeente? Wat zijn de kenmerken en waarom? Er is niet alleen de reguliere zondagse eredienst (de hoofddienst) maar er zijn ook bijzondere vieringen (niet alleen op zondag). Denk aan doop, kinderzegen, huwelijk, levensverbintenissen, rouw, gedachtenis, getijden. Daarnaast zijn er verwante persoonlijke vormen van gebed: brevier, stille tijd, meditatie (beeldmeditatie, tekstgebonden meditatie, contemplatie), rozenkrans, enzovoorts. Zorgt de verscheidenheid aan eredienst voor een goede, diepgaande omgang van de gemeente met God?

 

b) Waardevrijheid

Hoe de eredienst bestudeerd wordt is afhankelijk van de vragen die je stelt en de vooroordelen waarmee liturgie benaderd wordt. Het is dan ook van belang oog te hebben voor de vooroordelen. In de wetenschap is het de laatste jaren gebruikelijk deze voorvragen te verantwoorden om tot een maximale objectiviteit te komen. In de praktisch-theologische benadering is het belangrijkste uitgangspunt dat de gemeente handelt in de liturgie. Dat sluit allerlei andere vooroordelen niet uit. Zo heeft dit studiemateriaal een protestants vooroordeel: het levert een praktisch-theologische oriëntatie op liturgie uitgaande van de beide Dienstboeken van de Protestantse Kerk in Nederland (zie literatuurlijst).

 

8.             Dienstboek

 

Tijdens het eenwordingsproces van de Protestantse Kerk in Nederland werden een nieuwe kerkorde en een nieuw dienstboek voorbereid. Dit Dienstboek kwam in delen uit:

1. Liturgie in dagen van rouw.

2. Bevestiging van ambtsdragers.

3. Doop en belijdenis.

4 en 5. Schrift – Maaltijd – Gebed. Zondag, feest‑ en gedenkdagen. Het dagelijks gebed: getijden en

Huisdiensten.

De eerste drie delen zijn herzien in 2004 en uitgebreid uitgegeven als Dienstboek – een proeve Deel II (Leven – Zegen – Gemeenschap). Het in 1998 uitgekomen deel is in feite Deel I geworden.

 

a) Deel I

Algemeen

Deel I behandelt de zondag en de feest‑ en gedenkdagen. Voor een uitgebreide toelichting: zie pagina 847-950 en volgende. Voor de orde, de structuur van de dienst: zie pagina 151 en volgende. Er zijn vier orden: Dienst van Schrift en Tafel, Schriftdienst, Leerdienst, Samenkomst van de huisgemeente (indexering op de rand van de pagina door grijs vlak met Romeinse cijfers).

Bij de orden komen we twee vormen tegen:

A. De orde volgens de oecumenische traditie (steekwoorden: kyrie, gloria, vierende avondmaalsliturgie conform de oecumenische consensus van Lima).

B. De orde volgens de klassiek gereformeerde traditie (steekwoorden: schuldbelijdenis, genadeverkondiging, wet als regel der dankbaarheid, didactisch avondmaalsformulier).

 

Alternatieven en varianten

In het tweedelig Dienstboek van de Protestantse Kerk in Nederland is materiaal te vinden uit meer-dere theologische tradities, die ook een verschillende omgang met de liturgie kennen. Met name genoemd worden de klassiek gereformeerde traditie en de oecumenisch‑katholieke traditie. Daarnaast zijn er alternatieven en varianten.

Voor elke zondag is een aantal wisselende elementen opgenomen in de afdeling Tijdeigen (Tot Pasen vóór de orden, na Pasen na de orden: deze indeling is gekozen opdat het boek goed blijft openliggen bij de orden).

 

Wisselende elementen:

·         introïtus: (gezongen) begintekst (lutherse traditie)

·         gebed voor de lezingen (zondagsgebed)

·         lezingen uit het leesrooster (luthers of gezamenlijk) en tussenzang (psalm)

·         gebed over de gaven (lutherse traditie)

·         kort slotgebed aan het eind van de dienst van Schrift en Tafel

 

Liturgische gezangen

In de orden zelf wordt de mogelijkheid gegeven om gedeelten van de eredienst te zingen in plaats van te spreken. Het gele middengedeelte bevat een extra verzameling liturgische gezangen met gevarieerde toonzetting: van ‘gregorianiserend’ tot toonzettingen uit Taizé en Iona en ander, niet alleen klassiek idioom.

 

b) Deel II

Het tweede deel van het Dienstboek betreft de liturgie voor bijzondere gelegenheden: doop en belijdenis; de Maaltijd van de Heer in bijzondere omstandigheden; bevestiging van ambtsdragers; inleiding in een bediening; bediening van de verzoening; zegeningen; liefde en trouw; uitvaart en rouw. Het boek heeft een goede inhoudsopgave en het materiaal is makkelijk te vinden.

 

c) Gebruik

Doordat de indeling van een missaal gekozen is, en omdat de boeken voor de zondagse eredienst en voor de getijden (met alle toelichtingen) samengevoegd zijn, kan het voor mensen moeilijk zijn in het Dienstboek de weg in te vinden. Wie de moeite neemt er in thuis te raken, vindt een enorme schat aan liturgisch materiaal, waar men in andere kerken jaloers op blijkt te zijn. Het sterke punt is de duidelijke structuur. Voor de bewoordingen worden veel varianten aangeboden (passend bij het karakter van een brede kerk), van traditioneel tot modern en van orthodox tot vrijzinnig.

 

Bij de aanbieding in 1998 werd gezegd dat het Dienstboek niet bedoeld was om zich slaafs aan te onderwerpen, maar om zich er door te laten uitdagen in de eredienst geen materiaal van mindere kwaliteit en doordenking te gebruiken. Hierbij is de voorganger (voorbereidingsgroep) een actieve rol toegedacht.

Ook de liturgische gezangen dreigen door hun ordening ten onrechte niet gebruikt te worden. De ordinaria die aan het begin staan, zijn in het bijzonder bedoeld voor gemeenten die al gewend zijn aan muzikale vormgeving van de onderdelen. Ze krijgen in de ordinaria variatie aangeboden. Gemeenten die met die muzikale vormgeving beginnen vinden vooral verderop bekende toonzettingen, en ook toegankelijke vormen, bijvoorbeeld in de gezangen uit Taizé en Iona. Het aangeboden materiaal opent ook de ogen voor het liturgisch gebruik van ander muzikaal materiaal.

 

Dienstboek II daagt gemeenten uit flexibel te zijn in het toepassen van kerkelijke gebruiken in pastorale situaties. Ook minder gebruikelijke vormen, zoals zegeningen, worden aangeboden om God en het leven van mensen op elkaar te betrekken. Het nieuwe Dienstboek inspireert kerkelijke gemeenten vormen te gebruiken die het leven van mensen in het licht van de Aanwezigheid van de Allerhoogste perspectief geven.


Literatuur

 

Marcel Barnard en Niek Schuman (red.), Nieuwe wegen in de liturgie. De weg van de liturgie – een vervolg, Meinema, Zoetermeer 2002

J.P. Boendermaker, De eerste dag vieren. Liturgie voor gemeenteleden, werken met Dienstboek, een proeve, Boekencentrum, Zoetermeer 1999

Paula van Cuilenburg (red.), Mystiek om te zingen, Boekencentrum, Zoetermeer 2006

Dienstboek. Een proeve. Schrift – Maaltijd – Gebed, Boekencentrum, Zoetermeer 1998

Dienstboek. Een proeve. Deel II. Leven – Zegen – Gemeenschap, Boekencentrum, Zoetermeer 2004

Eredienstvaardig, tweemaandelijks tijdschrift voor liturgie en kerkmuziek, Boekencentrum, Zoetermeer

Henk Jongerius, Naar woorden zoeken. Gebeden, liederen en voorbeden. Gooi en Sticht, Hilversum 1981

Jan de Jongh, Rond de langste nacht. Liturgie maken in de herfst en winter. Een werk- en tekstboek, Meinema, Zoetermeer 1996

Jan de Jongh, De honderd dagen rond Pasen. Liturgie maken in de tijd van Aswoensdag tot Pinksteren. Een werk- en tekstboek, Meinema, Zoetermeer 1997, 2e druk

Jan de Jongh, Zomerstilte. Liturgie maken tussen Pinksteren en herfst. Een werk- en tekstboek, Meinema, Zoetermeer 1998

Jan de Jongh, Fragmenten en bouwstenen. Liturgie maken. Een tekst- en werkboek, Meinema, Zoetermeer 2005

G.F.H. Kelling, Rond vasten en feesten, Profiel van Advent en Kerst, van Veertigdagen en paastijd, Narratio, Gorinchem 1992

G.F.H. Kelling, Valt er nog wat te vieren, Liturgie en de sacramenten als grondpatroon, Narratio, Gorinchem 1992

G. van der Leeuw, Liturgiek, Callenbach, Nijkerk 1946, 2e druk

G. van der Leeuw, Wegen en grenzen. Een studie over de verhouding van religie en kunst, Paris, Amsterdam 1955 (3e druk, herzien door E. L. Smelik)

Marius van Leeuwen, Van feest naar feest. Over de christelijke feestdagen – hun geschiedenis en betekenis, Balans, z.p., 2004

Paul Oskamp en Niek Schuman (red.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk, Meinema, Zoetermeer 1998

H.A.J. Wegman, Riten en mythen. Liturgie in de geschiedenis van het christendom, Kok, Kampen 1991

Vieren, kwartaaltijdschrift voor ‘wie werkt aan liturgie’, Abdij van Berne, Heeswijk

Werkboekjes voor de eredienst (meerdere delen), Boekencentrum, Zoetermeer

 

Liedbundels

24 Kerkliederen voor koor en gemeente rond woord en sacrament

Henk Jongerius, Gooi en Sticht, Hilversum 1975

Abdijboek, losbladige serie boeken met Nederlandstalige gezangen
Stichting Intermonasteriële Werkgroep voor Liturgie, Zandheuvel 90, 4901 HX  Oosterhout

Alles wordt nieuw. Verzamelbundel met begeleiding van piano of orgel, melodie-instrumenten en aanwijzingen voor gitaarbegeleiding
Hanna Lam en Wim ter Burg, Callenbach, Nijkerk 1985

Eva’s lied. 99 liederen door vrouwen
Wil van Hilten, Marijke de Bruijne, Eileen Silcocks (red.), Kok, Kampen 1998

Evangelische Liedbundel
Evangelisch Werkverband en Confessioneel Gereformeerd Beraad, Boekencentrum 1999

Geroepen om te zingen
Geert Tromp (samenst.), Narratio, Gorinchem 1990

Gezangen voor Liturgie
Stichting Liedbundel, Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging en de Stichting Gezangen voor Liturgie, Gooi en Sticht, Baarn 1996

Het boek der Psalmen uit het Hebreeuws vertaald
Ida G.M. Gerhardt en Marie H. Van der Zeyde, getoonzet door Benedictijner en Cisterciënzer monniken, Katholieke Bijbelstichting, Boxtel 1992, 3e druk

Het lied op onze lippen. Het complete liedoeuvre van Thomas Naastepad met melodieën
Gooi en Sticht, Kampen 2003

Hoop van alle volken. Zingen met partnerkerken
Centrum voor Zending en Werelddiakonaat van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Generale Diaconale Raad van de Nederlandse Hervormde Kerk, Raad voor de Zending van de Nederlandse Hervormde Kerk 1998, 2e druk

Liedboek voor de Lerken
Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied, Boekencentrum, Zoetermeer 1973

Met andere woorden. Klein liedboek voor kinderen
Hanna Lam. Met Wim Kloppenburg, Jos van der Kooy, Ad Versteden en Barbara Zwaal, Callenbach, Nijkerk 1987

Tegen het donker. 100 liederen om samen te zingen met eenstemmige muzieknotatie.
Sytze de Vries, Meinema, Zoetermeer 2002

Tussentijds. Aanvullend liedboek bij het Liedboek voor de Kerken
Kok/Kampen, Boekencentrum/Zoetermeer 2005

Zingen om te vieren. 52 liederen voor school en kerk
Chris van Bruggen, Wolters-Noordhoff, Groningen 1989

Zingend Geloven, Bijdragen tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied, deel 1 t/m 8
Boekencentrum, Zoetermeer

Zingende Gezegend
A.F. Troost, Boekencentrum, Zoetermeer 1995

Websites

www.kerklied.nl

www.liturgievernieuwing.nl

http://noemewv.nl


Bijlage 1: Verscheidenheid aan bouwstenen van de liturgie

 

Gesproken taal

In de liturgie wordt taal niet in de eerste plaats gebruikt om informatie over te brengen. In de omgang met God in loven en bidden worden expressieve vormen van taalgebruik benut die (ook) bedoeld zijn om het contact met God te onderhouden. Vaak wordt taal daarbij esthetisch of conventioneel geordend (vaste teksten, formuliergebeden, enzovoorts). Protestantse eredienst met zijn traditionele didactische inslag gebruikt wel meer informatieve taal, maar ten dienste van de omgang met God.

 

Een heilige taal of heilig taalgebruik

Allerlei geloofsgemeenschappen gebruiken niet alleen een heilige tekst (bijvoorbeeld de Bijbel), maar hebben die ook in een heilige taal (Hebreeuws, Latijn, Sanskriet, Arabisch) die niet de eigen taal is. Daarnaast is er vaak archaïsch liturgie-eigen taalgebruik. Dat hoort bij de omgang met God. Het heeft de neiging spontaan te ontstaan. Zo krijgt na de invoering van de volkstaal bij de reformatie,  de na enige generaties ouderwets geworden taal van de bijbelvertaling een ‘niet-alledaagse’ gehalte.

 

Metaforisch taalgebruik

Bijbelverhalen hebben vaak een historische verwijzing. Toch functioneren ze in de omgang met God als verhalen waarmee men zich in het geloof kan identificeren. Denk bijvoorbeeld aan de aartsvaderverhalen. Gelijkenissen beschrijven geen concrete situaties, maar situaties die als voorbeeld kunnen dienen. Enzovoorts. Het taalgebruik bij de vaste onderdelen van de liturgie bestaat voor een groot deel uit bijbelteksten, waardoor deze ook metaforisch gaan werken.

De betekenisgeving kan bedreigd worden door slijtage van oude vormen. Veel mensen voelen een zekere spanning tussen traditioneel (bekend) en vernieuwend (communicerend); tussen belegen en beproefd (versteend) en origineel (met prikkelende zeggings-kracht).

Gebeden bestonden vaak uit gereciteerde psalmteksten en bijbeltekstcollages. De gebruikelijke liturgische gebeden krijgen gaandeweg een vaste vorm en worden formuliergebeden. In een periode waarin ‘nieuw’ maatgevend is, wordt de zeggingskracht van traditionele teksten vaak niet meer herkend.

 

Geordende tijd

Tijd wordt in de liturgie vaak betekenisvol gebruikt. Een jaar wordt geordend door feesten. Het Jodendom kent al een geleding van het jaar door de oogstfeesten, die in het Oude Testament voor-zien worden van een religieuze symboliek. Het christendom neemt veel van dit erfgoed mee en ordent het jaar meestal rond dezelfde feesten, maar dan ingevuld vanuit Jezus Christus: geboorte, leven, lijden, sterven, opstaan, ten hemel gaan en uitstorten van zijn Geest. De omgang met God krijgt zo afwisseling en volgt het patroon van de heilsgeschiedenis.

 

De tijd van samenkomen

-         Wekelijks op de zondagen (eerst op de vooravond voor de maaltijd en op de ochtend voor gebeden/lezingen/liederen/'preek'. Al voor het jaar 150 na Christus wordt dit beperkt tot een samenkomst op de ochtend. [9]

-         Feestdagen: zie kerkelijk jaar.

-         Getijden (vaste vorm ontvangen van Benedictus, 600 na Christus).
N.B.: alle ‘nacht'-diensten (kerstnacht, paasnacht) vinden hun oorsprong in de bijbelse dagindeling: zonsondergang is het kenteringpunt (‘Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de ... dag’ - Genesis 1:5,8,13,19,23,31)

 

Geordende plaats

In het Oude Testament vinden we heiligdommen en heilige plaatsen, die herinneren aan een moment van directe omgang met God. Daar wordt die herinnering aan die omgang levend gehouden en God gebeden om die omgang ook nu te doen plaatshebben (anamnetisch gebruik).

De tabernakel en de tempel zijn veelzeggende plaatsen. De ark van het verbond en de rijke aankleding van het gebouw vertellen over God. De synagoge kent een veel soberder aankleding dan de tempel. Daar spreekt de ceremoniële lezing uit de Tora‑rol (te midden van tenminste tien gelovigen) meer via taal en ritueel.

In de vroege gemeente wordt een huis als plaats van samenkomst gebruikt. De samenkomst van twee of drie in Christus' naam spreekt al de aanwezigheid van God. Als de kerk instituut wordt, ontstaat door de inrichting en aankleding van de ruimte een (beeld)taal die spreekt van de betrokken-heid op God. Om een plaats te vinden waar de hemel en de aarde samenkomen, gebruikt men gangbare heidense manieren, zoals de plaats waar een span ossen zich neerlegt voor de nacht.

 

Aankleding en inrichting van het gebouw

Gaandeweg komt er in het gebouw meer symboliek: in de opstelling van het meubilair, de verbeelding op wanden en plafonds (de bijbel voor de armen/analfabeten), de beelden in kapellen en nissen, de afbeeldingen (zoals ‘het laatste oordeel’) in de portalen, gebrandschilderd glas (met uitbeelding van bijbelse taferelen).

In de lutherse reformatie blijft de inrichting en aankleding van het kerkgebouw ongemoeid, maar de reformatie in de lijn van Calvijn en Zwingli schaft alle verbeelding af. Men probeert zich te beperken tot het Woord. Wie een blik in een na‑reformatorische kerk werpt, ontdekt toch veel betekenisvolle elementen die niet altijd even religieus zijn, zoals de herenbanken en stadswapens.

 

Handeling en beweging

In het Oude Testament kan beweging een symbool zijn: in het opgaan naar Jeruzalem, in omme-gangen (Jericho), in het staan of knielen bij het bidden of onderdanigheid betuigen, in het dansen van vreugde, enzovoorts. De christelijke kerken hebben veel bijbelse vormen gestileerd en geritualiseerd. De reformatie benadrukt dat taalgebruik en symboolhandeling samengaan, zoals bij de doop of de bevestiging van een ambtsdrager. Wat er niet bij past, wordt rigoureus weggesnoeid. Hoewel niet bedoeld, neemt in de loop der tijd de vergeestelijking van de liturgie toe.

 

Drama (uitspelen)

Riten in de eredienst waarin meerdere personen een rol vervullen, doen denken aan een toneel-uitvoering met verschillende rollen. Naast dit rollenspel wordt de hoofdlezing bij bijzondere gelegenheden ook wel uitgespeeld. In de middeleeuwen wordt de evangelielezing op hoogtijdagen op een zangtoon gereciteerd èn uitgespeeld. De traditie brengt paasspelen voort, zoals het Egmonds paasspel. [10]

Wildgroei van kerkelijk toneel leidt tot verbanning uit de kerk en tot de ontwikkeling van mirakel- en mysteriespelen. Soms vormen de spelen een bijbelse cyclus en worden ze op wagens opgevoerd (vergelijk de moderne wagens in een carnavalsoptocht). De verschillende gilden zijn verantwoordelijk voor de bijbelverhalen die het meest bij hun gilde passen. Een moderne ontwikkeling vormen leken- en passiespelen.

Naast de historisch gegroeide dramatische vormen wordt tegenwoordig op andere manieren gebruikgemaakt van dramatische vormen in de eredienst, of wordt het dramatische zelfs gethematiseerd in een ‘theaterdienst’.

 

Zintuiglijk waarneembare vormen

Om mensen te helpen zich op God te richten, zijn er in het Oude Testament al zichtbare en ruikbare vormen in de eredienst, zoals het beweegoffer en het wierookoffer als ondersteuning van het gebed. De christelijke traditie eigent zich deze vormen toe en breidt het repertoire uit (veelal voortbordurend op bijbelteksten, zoals bij het gebruik van de wijwaterkwast).

Verder wordt de liturgie vormgegeven door achtereenvolgens afbeeldingen op wanden, meubilair (altaar, preekstoel), schilderijen en driedimensionaal, zoals in beelden.

 

Kleur en Kleed

Antependia (kleden die voor een lezenaar hangen) en stola's (liturgische sjaals) hebben in de westerse traditie kleuren die de tijd van het kerkelijk jaar symboliseren (groen = feestloze periode, paars = voorbereidingstijd voor feest, roze = middelste zondag van voorbereidingstijd, vooruitgrijpend op het feest, rood = heilige Geest of martelaar en wit = feest).

De kleuren van iconen hebben binnen de iconografische traditie ervan een afgesproken betekenis. Iconen worden in de Oosters-orthodoxe traditie gebruikt als ‘doorkijk naar de eeuwigheid’.

 

Gebruik van vuur en kaars(licht)

In de westerse traditie is de paaskaars de vorm geworden voor het Licht van Christus. Bijlichting door middel van grote kaarsen bij het lezen van het evangelie geeft uitdrukking aan de uitstraling van het evangelie. Verlichting op het altaar heeft een dergelijke functie. Het omgeven van een lijkkist door kaarsen symboliseert het opgenomen worden in de lichtsfeer van Christus. Al deze symboliek wordt bij de reformatie gesnoeid om het Woord tot volle bloei te laten komen.

 

Betekenisvolle muzikale elementen (ondersteuning van tekst of duiding van het moment in de liturgie).

Het Jodendom kent verschillende reciteertonen voor verschillende delen van de heilige Schrift. De westerse christelijke traditie kent op hoogtijdagen de gecantileerde evangelielezing. Dit reciteren van het evangelie op een zangtoon (evangeliecantilatie) wordt gaandeweg nog betekenisvoller in de passionen (zoals de Johannes Passion van J.S. Bach).

In de calvinistische reformatie streeft men naar versobering en de emancipatie van het 'volk'. De rijk versierde zang van koor en voorgangers wordt afgeschaft en overgenomen door voornamelijk strofische zang door de gemeente (Geneefse psalmen en de lutherse gezangen).

In liederen voor de eredienst is door de toonzetting vaak symboliserend met de inhoud omgegaan. Standaardteksten in de eredienst die vragen om muzikale symbolisatie, zoals de onderdelen van de mis (kyrie, gloria, sanctus, benedictus, Agnus Dei) en de cantica uit de getijden (benedictus, magnificat, nunc dimittis), zijn getoonzet door talloze componisten. Verder, in mindere mate, andere hymnische bijbelgedeelten, zoals de lofliederen van Mozes, Mirjam en Hanna en de Christushymne (Filippenzen 2).

 

Bouwstenen van de liturgie en kwaliteit

In de discussie tussen verschillende richtingen duikt het woord kwaliteit vaak op. Gebrek aan kwaliteit wordt wel gekenmerkt als platvloersheid, gebruik van gemeenplaatsen, het geven waar de menigte om vraagt. Zo komt men niet boven dat menselijk niveau uit. Om het eigen gelijk te bewijzen wordt vaak opgemerkt dat alleen het beste goed genoeg is voor God.

De vraag is: Wat is kwaliteit voor God? Cultureel het meest hoogstaande? Het beste dat de betrokken groep te bieden heeft? Als we ervan uitgaan dat liturgie een taal is die het mensen mogelijk maakt hun gezamenlijke omgang met God vorm te geven, krijgen we meer zicht op het soort kwaliteit dat nodig is. De taal van de eredienst moet de kwaliteit hebben dat deze gemeenteleden in staat stelt met heel hun menselijkheid de omgang met God gezamenlijk geordend vorm te geven. Hierbij moeten we de eigenschappen van de gemeente niet uit het oog verliezen. Een culturele elite in een villadorp zal niet met hetzelfde eredienstgereedschap uit de voeten kunnen als een gemeente bestaande uit industriearbeiders en hun gezinnen.

Het Engelse rapport In Tune with Heaven beveelt aan om, lettende op de doelgroep, verschillende genres muziek te gebruiken: klassieke eredienst genre, klassieke muziek, populaire muziek, wereldmuziek, etcetera. Binnen die genres moeten dan wel de gangbare kwaliteitscriteria in acht genomen worden.

 


Bijlage 2: Verklarende woordenlijst

 

abdij

zelfstandig klooster met een abt of abdis als onafhankelijk bestuurder

 

acclamatie

bevestigende uitingen van de gemeente in de eredienst (acclamare = toeroepen, toejuichen)

 

acolieten

assistenten van de voorganger(s) tijdens de vieringen

 

Agnus Dei

Lam Gods

 

altaar

offertafel voor misoffer

 

ambrosiaanse hymnen

gezangen genoemd naar Ambrosius, een bisschop uit de tijd van Augustinus

 

 

anamnetisch

herinnerend aan belangrijke feiten uit het verleden

 

anglicaans

van de kerk van Engeland

 

antependia

kleden in de kleur van het kerkelijk jaar die afhangen van de tafel en/of de lezenaar

 

apocalyps

openbaring van verborgen dingen door God aan een gekozen profeet (bijvoorbeeld over het einde van de wereld en het leven na de dood)

 

baptistisch

lid van de baptistische kerk, of gebruik van de baptistische kerk (die aan volwassenendoop doet)

 

basisbeweging

vernieuwingsbeweging naast de kerk

 

bediening

kerkelijk dienstwerk dat niet tot een officieel ambt als dat van priester, predikant, diaken en ouderling behoort. Een cantor/organist kan in een bediening gesteld worden.

 

Benedictus

Benedictus van Nursia, stichter van de kloosterorde van de Benedictijnen; beginwoord van tweede deel van het sanctus

 

berijmd

in de vorm van een rijmend couplet opgesteld(e tekst), bedoeld om op een vaste melodie gezongen te worden

 

beurtspraak

tekst die afwisselend door twee personen of groepen wordt uitgesproken

 

beweegoffer

oudtestamentisch offer dat niet verbrand werd maar heen en weer bewogen

 

bisschop

priester die door de paus wordt benoemd tot leider van een bisdom. Hij wijdt, dient sacramenten toe, bestuurt en onderricht. De bisschop vormt de band met de rooms-katholieke kerk als geheel.

 

brevier

boek waar de getijden in staan

 

breviergebed

individueel getijdengebed

 

catechese

onderwijs (vooral aan de jeugd) in datgene dat belangrijk is binnen de kerk

 

catechumenen

geloofsleerlingen die een opleiding (catechumenaat) in het geloof volgden

 

catechumenaat

leer en voorbereidingstijd voor de doop

 

completen

liturgisch avondgebed als afsluiting van de dag

 

confessioneel

uitgaande van een belijdenis, een belijdenis hooghoudend

 

consecratie

letterlijk: wijding, in de mis gebruikt voor het moment van het uitspreken van de instellingswoorden van het avondmaal; het moment waarop de bijzondere aanwezigheid van Christus geacht wordt in te gaan

 

corpus

lichaam; verzameling teksten

 

credo

‘ik geloof’ (beginwoorden van de geloofsbelijdenis, waar het als afkorting voor gebruikt wordt)

 

diaken (protestant)

diaken betekent letterlijk dienaar. Diakenen zijn allereerst dienaren van de Tafel van de Heer. Ze zamelen geld in om mensen die in de knel komen bij te staan.

 

diaken (rooms-katholiek)

assistent van de celebrant bij de mis; ook een geestelijke die de voorlaatste van de zeven wijdingen ontvangen heeft. Een diaken draagt een gekruiste stola over de linkerschouder.

 

dienstboek

boek met de orden van dienst en de formulieren voor kerkelijke handelingen

 

nunc dimittis

lofzang van Simeon (‘Nu laat Gij Heer uw knecht in vrede gaan’)

 

epifanie

letterlijk: verschijning, feest op 6 januari (driekoningen) als afsluiting van de kersttijd

 

eschatologisch

gericht of betrekking hebbend op de eindtijd

 

essenen

Joodse sekte

 

evangelie-cantilatie

het zingen/zeggen van de evangelietekst op een zangtoon (reciteertoon)

 

 

genade-verkondiging

aanzegging van Gods genade na de schuldbelijdenis

 

 

graduale

tussenzang na de eerste lezing uit het proprium van de mis; afkorting van Graduale Romanum, het boek waarin de Latijnse gezangen van de mis staan

 

gregoriaans

de traditionele zang van de Latijnse liturgie, naar verluidt door paus Gregorius de Grote geordend

 

herenbanken

luxe banken voor de welgestelden uit het protestantse verleden

 

hoogmis

eucharistieviering met uitgebreid ritueel en muziek voor zon- en feestdagen

 

hostie

letterlijk: offerande, verwijzing naar Efeze 5:2, Christus die zich voor ons overgegeven heeft als offergave (oblatio) en slachtoffer (hostia); het stukje ongerezen brood dat genuttigd wordt bij de communie

 

iconen

afbeeldingen van Christus, Maria en de heiligen uit de oosters-orthodoxe liturgie. De iconen worden gezien als vensters op de eeuwigheid.

 

inzettingswoorden

de woorden die Jezus gebruikte bij het instellen van het avondmaal

 

koorgebed

gezamenlijk gebed van de kloosterlingen op de getijden. De gebeden worden bepaald aan de hand van de tijd op de dag en de periode van het jaar.

 

kruisweg
(staties)

uitbeelding van twaalf taferelen (staties) uit het lijdensverhaal van Christus, ontstaan in de zestiende eeuw. Vanaf de zeventiende eeuw verschijnen er veertien taferelen. De kruiswegstaties zijn in iedere katholieke kerk te vinden, soms slechts aangeduid met kruisbeeldjes. Op Goede Vrijdag maken de gelovigen een rondgang (processie) langs deze staties om het lijden en sterven van Jezus te gedenken. Bij iedere afbeelding wordt even stilgestaan (= statie).

De veertien 'officiële' staties verbeelden:

 1. Jezus wordt ter dood veroordeeld

 2. Jezus neemt het kruis op zijn schouders

 3. Jezus valt de eerste keer

 4. Jezus ziet zijn moeder

 5. Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis te dragen

 6. Veronica veegt het zweet van het gezicht van Jezus

 7. Jezus valt voor de tweede keer

 8. Jezus troost de huilende vrouwen

 9. Jezus valt voor de derde maal

10. Jezus wordt van zijn kleren beroofd

11. Jezus wordt aan het kruis genageld

12. Jezus sterft aan het kruis

13. Jezus wordt van het kruis genomen

14. Jezus wordt begraven

 

kyrie

gezang uit het ordinarium van de mis: ‘Heer ontferm U, Christus ontferm U, Heer ontferm U’

 

laagmis

eenvoudige gesproken mis

 

lauden

ochtendgebed als lofprijzing voor de dag

 

lectionarium

leesrooster

 

leerrede

didactische preek

 

lekenspelen

het uitspelen van bijbelgedeelten door leken (niet geestelijke)

 

magnificat

lofzang van Maria

 

metten

vroegere benaming voor wat tegenwoordig de lezingendienst heet, de eerste gebedsdienst van het dagelijkse getijdengebed. De metten worden in de nacht of in de vroege ochtend gebeden.

 

mis

eucharistieviering. Eredienst in de katholieke kerk, waarin God wordt gedankt, geprezen en gediend. In een mis gaat een priester voor in gebed en tijdens de eucharistie.

 

mysteriespelen

middeleeuwse dramatisering van bijbelverhalen

 

 

oblatio

offer, wijding aan

 

oecumene

Grieks: oikumènè = bewoonde wereld. Met oecumene wordt (het streven naar) de eenheid van alle christenen bedoeld. Zowel de eenheid tussen de rooms-katholieke en protestante kerken, als de eenheid tussen de rooms-katholieke en de oosters-orthodoxe (Byzantijnse) kerken.

 

offertorium

offerzang uit het proprium van de mis aan het begin van het canongebed

 

officie

getijden, gebeden die over de hele dag en nacht verdeeld gezongen worden

 

ommegangen

processie om Gods genade af te smeken

 

ordinarium

vaste misgedeelten (gezangen) die elke dag terugkeren

 

paraliturgisch

niet-liturgisch, maar inhoudelijk wel verwant

 

paschaviering

Joodse paasviering

 

passiespelen

dramatische vormgeving van het lijden van Christus

 

passion

muzikale vormgeving van het lijdensverhaal; het verhaal wordt niet uitgespeeld

 

Pinksteren

feest van de uitstorting van de heilige Geest, oorspronkelijk tweede oogstfeest, viering van de Wet

 

priester

door een bisschop gewijde man, afgestudeerd in de theologie; medewerker van de bisschop

 

pronaus

middeleeuwse preekdienst

proprium

misgezangen die veranderen met het kerkelijk jaar

 

reciteertoon

ook wel tenor genoemd; de toon waarop de psalmodie gereciteerd wordt; de reciteertoon bepaalt samen met de finalis de kerktoon.

 

rozenkrans

naam van een gebed dat gebaseerd is op honderdvijftig weesgegroeten; de naam staat ook voor het gebedssnoer dat bij het gebed gebruikt wordt.

 

sanctus

gezang uit het ordinarium van de mis

 

Sanskriet

heilige taal uit India

 

sedermaaltijd

paasviering in de vorm van een maaltijd (ontleend aan Exodus 12)

stola

deel van het liturgisch gewaad, een lange bandstrook, door de priester gedragen om de hals en de schouders bij het verrichten van een aantal geestelijke bedieningen

 

tabernakel

In de bijbel de vroege tempel in tentvorm; klein kastje voor het bewaren van hosties. Vroeger ingebouwd in altaarstuk; nu soms afzonderlijk of in een zijmuur

 

tempeldienst

offercultus

 

tijdeigen

delen van de hoofddienst die veranderen met het kerkelijk jaar

 

toonzetting

toevoeging van een melodie

 

transsubstantiatie

leer over de reële aanwezigheid van Christus in brood en wijn

 

vesper(s)

laatste of voorlaatste (als er ook nog completen zijn, de dagsluiting) gebedsdienst van het dagelijkse getijdengebed, het avondgebed. De vespers worden aan het begin van de avond gezongen.

 

vigilie

wake

 

vormsel

sacrament van de katholieke kerk. Een rituele handeling waarbij de vormeling, meestal een jongere tussen de twaalf en vijftien jaar, zijn/haar keuze voor het christelijk geloof en de katholieke kerk bevestigt en de gave, de kracht van de heilige Geest ontvangt.

 

ziekenzalving

ziekenzalving of het heilig oliesel is een van de zeven sacramenten van de katholieke kerk alsmede van de orthodoxe kerken. Ziekenzalving wordt door de priester toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren.



[1] N.A. Schuman, Uitbeelding van verbeelding, in: Rondom het Woord, 40, nr. 2, p. 8

[2] Naar het slotwoord van de eucharistieviering: Ite, missa est - ‘Gaat, het is gedaan!’

[3] Canon: vaste regel volgens welke het misoffer opgedragen moet worden; tijdens het uitspreken van de instellingswoorden uit Matteüs 26 wordt de verandering van brood en wijn geacht plaats te vinden. Dit wordt consecratie genoemd.

[4] Vergelijk H.A.J. Wegman, Riten en mythen. Liturgie in de geschiedenis van het christendom, Kok, Kampen 1991, p. 10-11

[5] Ook bekend als het Limarapport, 1982

[6] Zie ook: de leeswijzer, p. 954-960 en de uitgangspunten en toelichting,  p. 1151 e.v. in het Dienstboek, deel I

[7] Zie ook de toelichting in het Dienstboek, deel I: het liturgisch jaar, p. 906 e.v.

[8] Zie ook de toelichting in het Dienstboek, deel I: leesroosters, p. 901 e.v. en de Overzichten, p. 1187 e.v.

[9] Sommige christenen: op sabbat (Klein‑Azië vijfde eeuw; zevendedags adventisten)

[10] Dit werd onder meer in de Adelbert Abdij te Egmond-Binnen in de jaren negentig van de twintigste eeuw opnieuw binnen de eredienst uitgevoerd.