NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
  Kerkelijk Jaar
Hoofddienst   Getijden   Devotie   Uitingsvormen  

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis




De R.K. Kerkmuziek.

We weten van de vdor 145o door Philips de Goede gestichte hofkapel te Den Haag, genaamd „Onze Lieve Vrouwe kapel", dat daar de organist Henrik Bredemers werkzaam was. De 4 zangers en 4 knapen dezer kapel werkten mede aan processies en aan de Hoogmis, die op Vrijdag werd gezongen (1 Ook hier Vlaams bloed: in 1542 wordt een Mechels zanger en zangmeester (T. XIII, 159). Te Middelburg werd in 1500 ingesteld „een
eerlicken, solempnicken sanck van discante met een sanckmeestere tenoriste, bascontre, bovensangere ende triple, mitsgaeders zes coraelkijns". Ook van Leeuwarden is bekend dat de koorzang of liever het zangkoor (dat in die dagen alleen uit beroepszangers was samengesteld) veel belangstelling genoot. Belangstelling tevens van de zijde van de
Magistraat, die ook het zangkoor als een stedelijke aangelegenheid behandelde. Zo vermeldden de stadsrekeningen van Amsterdam in 1561 de uitgave van een bedrag aan de beroemde drukker Pierre Phalesius te Leuven voor 800 „cantualien bij hem voerdes stede gedruckt". Het is een in hoefnagelschrift genoteerde verzameling antifonen e.d., getiteld: „Cantuale juxta usum insignis ecclesiae Amstelredamensis nunc prinnum numerorum formulis excusum, multisque antiphonis, responsoriis, hymnis, alliisque ejusdem generis sacris cantionibus locupletatum."
Maar ook bet particulier initiatief, als de au fond onmisbare basis, droeg zijn deel tot de historie bij : in de eerste helft der 16e eeuw werden te Delft in het Fratershuis 12 eerbare jongelingen uit een fonds onderwezen in de beginselen van Godsdienst en muziek, met name kerkgezang (2 Iets dergelijks hebben wij in Kampen, welks beroem koor zijn zangers requireerde o.a. uit arme scholieren.). Dagelijks moesten zij de muziek der nevengodsdienstoefeningen (de
zeven getijden) verzorgen. Op St. Maartensdag werden 3 of 4 van hen gekozen tot zanger van het eigenlijke zangkoor, dat - versterkt door de scholieren (die de sopraanpartij zongen) - de Mismuziek verzorgde (3 Bestaan en Voortgang der Muziekoefening binnen de stad Delft. Onvoltooid Ms. in het Haags Gem. Museum. Zie ook Drs J.A. Bank 'Middeleeuwse Kerkmuziek in Hollandse Kerken'(St Gregoriusblad 1940, bl. 30 e.v.)).

Zijn uit of via dergelijke genootschappen de Muziekcolleges ontstaan ? Opmerkelijk is het dat het Muziekcollege te Delft ook in het Fratershuis bijeenkwam. Een verbindingsschakel vormt dan de ,Broederschap en gemeene vergadering in de muzyk" te Leiden, die in 1578 de Magistraat verzocht gebruik te mogen maken van de in de Beeldenstorm gespaarde Koorboeken der St. Pieter (1 N. XII, 181). Hier moet ook genoemd worden het Amsterdamse muziekgezelschap dat zich beperkte tot het zingen van (meerstemmige) Psalmen. De Leidse Koorboeken, geschreven tussen 1549 en 1567, geven te zien dat Noord-Nederland de gang van zaken met opmerkzaamheid volgde.

Dank zij de vriendelijkheid van mijn oud-leraar, Prof. Dr. K. Ph. Bernet Kempers, is het mij mogelijk dit fragment op te nemen. Dit geschiedt hier voor de eerste maal in druk. (De momenteel in het Gemeentearchief te Leiden aanwezige koorboeken zijn n.l. geschreven). Vergelijking met het origineel leert dat de notenwaarden tot op de helft verkort zijn. Men neme de kwartnoot rustig. De aan het Gregoriaans (Nvb. 27a) ontleende melodie-tonen zijn met een kruisje gemerkt. De golflijnen markeren het motief dat op de manier van een motet wordt doorgevoerd.

 

 

 

 

 

De inhoud (1 Zie B. III, 37) geeft blijk van de veelzijdigheid van het repertoire: zij vermeldt o.m. Clemens non Papa, Thomas Crequillon, Ph. de Monte, Joh. Lupi, Josquin, Richafort, Nic. Gombert, Chr. de Hollander e.a., waaronder vele anonymi. We moeten bet betreuren dat een deel, gespaard bij de Beeldenstorm, gebruikt werd voor papieren noodmunten tijdens het beleg. Uit de rijke inhoud volgt hier
(Nvb. 27 en afb. 13) het begin van een anoniem Requiem. Het werk is gebouwd op de Gregoriaanse melodieen van de Doden-mis, zoals die nog heden worden uitgevoerd (1 D.w.z. ten dele: het graduale is ontleend aan dat van de Zaterdag na de 3e Zondag in de Vasten (Si ambulem), het Tractus: Paaszaterdag (Sicut servus)). Deze liggen (versierd) in de sopraan. In Nvb. 27 is ter vergelijking de oorspronkelijke Sequentia bijgevoegd (Nvb. 27a). Meerstemmige Vequiems zijn er uit deze tijd niet veel. Onlangs is het kleine getal nog met een verminderd toen Prof. Smijers aantoonde dat bet fragment van Obrecht waarboven Requiem (2 Volledige Werken, afl. 9, no. 6) stond en waarvan de tekst ontbrak, een overlijdens- motet was (3 T. XVI, 129. Van Obrecht geeft Nvb. 26 een deel uit de Mis 'Sub tuum praesidium', waarin 3 verschillende wijzen gecombineerd worden!). De tegenzin tegen de meerstemmige Dodenmis is waarschijnlijk te verklaren uit haar grotere lengte, vergeleken met bet Gregoriaans. In de boeken der Illustre Lieve Vrouwen Broederschap te 's-Hertogenbosch lezen we:

De sengers begerden de mys (n.l. het Requiem) te syngen in musyck, om te besien, hoe ons die manier van doen aenstont ... Maer ten stont den sommegen nyet wael aen, sy presen die olde manier, ende soe den (= doe) ic oeck; want dat is bequamer manier voer de dooden (also niet mer)."

De Bosse rekeningen bewijzen ook dat de Noordelijke Nederlanden in de 16e eeuw wel belangstellend waren, maar receptief: pas na 1500 worden meerstemmige missen in de koorboeken geschreven, terwijl sedert ± 1480 deze kunstvorm door de Vlamingen zeer intensief werd beoefend. (Vgl. Nvb. 25 I!).

Tegenover Italie en Frankrijk schoot de aantrekkingskracht van ons land te kort: een enkele uitzondering daargelaten (Pipelare en Clemens non Papa die te 's-Hertogenbosch werkten, Obrecht die tijdelijk naar zijn geboortestad Bergen op Zoom terugkeerde) waren het alleen kleinere meesters, die zich als zanger of kapelmeester in ons land vestigden. Maar omgekeerd werd dit ook door velen verlaten, b.v. door Johannes Wanning uit Kampen, die zich te Danzig als kapelmeester vestigde. De Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis gaf een bloemlezing uit zijn „52 Sententiae ex Evangeliis" (1584), zijnde een volledige cyclus van Evangelie-motetten (de jongste soort van de a-capella-polyfonie) over de Zondags-Evangelien.De stad Kampen hebben wij meermalen op onze tocht „aangedaan". Ook aan de meerstemmige liedkunst is haar naam verbonden.

Muziek in Nederland in de 16e eeuw (Uit: W.H. Thijsse, Zeven Eeuwen Nederlandse Muziek, Rijswijk 1949)

Afb. 13 Twee bladzijden uit het Requiem in de Leidse Koorboeken: de Introitus. Het boek stond op een lezenaar, de zangers stonden daar omheen, zodat met één ex. volstaan kon worden. Eén en ander was ter voorkoming van het vele malen uitschrijven der partijen. Op de linker bladzijde staan de sopraan en de tenor, rechts de alt (contra) en bas.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Muziek in Nederland in de 16e eeuw (Uit: W.H. Thijsse, Zeven Eeuwen Nederlandse Muziek, Rijswijk 1949)