NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
  Kerkelijk Jaar
Hoofddienst   Getijden   Devotie   Uitingsvormen  

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis




Het Volkslied tijdens de 80-jarige oorlog: Geuzenliedboek

De belangrijkste bron voor het (politieke) volkslied uit de tachtigjarige oorlog is het Geuzenliedboek, dat grote populariteit genoot. De 'geuzen' die hier genoemd worden zijn niet in de eerste plaats de Geuzen in engere zin, ruwe klanten die zee en woud afstroopten maar allen die de calvinistische en vaderlandse zaak toegedaan waren. 

De uitgevers van het Geuzenliedboek richtten zich tot eenvoudige mensen met een bescheiden beurs. Zij voerden de boekjes goedkoop uit: klein formaat, dicht bedrukte bladzijden, spaarzaam verlucht met simpele houtsneden of in het geheel geen illustraties, geen muziekdruk, alleen melodie (wijs) aanduidingen. De liederen worden afgewisseld met enkele niet-gezongen gedichten, meest refreinen. Aan de verzameling hebben vele dichters bijgedragen, van wie de meeste anoniem zijn. De liederen worden soms door de uitgevers 'aan elkaar gepraat' met korte inleidinkjes die de politieke situatie aangeven op het moment dat een lied werd geschreven. Het geheel is in principe chronologisch geordend, zodat een soort geschiedenis-boekje in liedvorm ontstond.

Een nieu Geusen lieden boecxken, waerinne begrepen is, den gantschen handel der Nederlantscher gheschiedenissen, dees voorleden iaeren tot noch toe ghedragen, eensdeels onderwylen in druck wtghegaen, eensdeels nu nieu by-gheuoecht. Nu nieulick vermeerdert ende verbetert. 1581. 8º.
1714 E 20, titelpagina

De liederen werden natuurlijk in de eerste plaats van mond tot mond verspreid, maar al spoedig ook gedrukt op losse blaadjes, die door marskramers werden uitgevent. Er moeten vrij snel verzamelbundeltjes van zijn gedrukt, waarvan de oudste echter niet bewaard gebleven zijn. Immers, de mededelingen ‘eensdeels onderwylen in druck wtghegaen’ en ‘Nu nieulick vermeerdert ende verbetert’ op het hier afgebeelde titelblad van de oudst bewaarde druk doen tenminste twee eerdere edities veronderstellen. Deze druk bevat 87 liederen van zeer verschillend karakter: historische vertellingen, politieke en antikatholieke satire, opwekkingen tot verzet, en zuiver religieuze liederen, klachten en vermaningen. Het bekendste lied maakt deel uit van de groep liederen die opwekken tot volharding in de strijd tegen de Spaanse tirannie: het Wilhelmus.
In de bekende Nederlandtsche Gedenck-clanck (1626) van Valerius is de kern een geschiedverhaal over de 'beroerten' van de tachtigjarige oorlog tot aan de dood van de auteur in 1625. Dit is als het ware een uitvergroting van de inleidinkjes op de Geuzenliederen. De liederen zijn gedicht door Valerius zelf, een niet onverdienstelijk rederijker, in het dagelijks leven notaris te Veere. Ze ademen vaderlandstiefde en godsvrucht, maar missen doorgaans de directheid van de geuzenliederen en kunnen dan ook geen volksliederen genoemd worden. 
Er zijn evenwel uitzonderingen, zoals het volgende lied. De hertog van Alva wordt er met een vogelvanger vergeleken, wanneer hij de protesten tegen de tiende penning wil sussen:

De Vogel wert gelockt gefluyt,

Des Vangers pyp geeft soet geluyt,

Tot dat hy 't dierken heeft int net,

't Wekk hy dan naer syn handen set,

En brengtet in alsulck bedwang,

Dat 't pypen moet naer zynen Sang.

Duc d’Alf dien ouden snooden gast

Fluyt mede nu seer soet al vast,

Op dat hy 't Land soo inne slick,

Het volck mocht krygen in syn strick:

Maer (vrienden) 'tis een lichte vlieg,

Siet toe dat hy u niet bedrieg.

Corn nestelt hem de broeck eens op,

En smyt hem oock vry op de kop...

enzovoort. Het bijzondere van dit lied is dat Valerius de actualiteit slechts suggereert. Hij dichtte het lied niet ten tijde van het verzet tegen de tiende penning, maar meer dan vijftig jaren later!

Een nieu Geusen lieden boecxken, waerinne begrepen is, den gantschen handel der Nederlantscher gheschiedenissen, dees voorleden iaeren tot noch toe ghedragen, eensdeels onderwylen in druck wtghegaen, eensdeels nu nieu by-gheuoecht. Nu nieulick vermeerdert ende verbetert. 1581. 8º.
1714 E 20, fol. 24v-25r

Valerius schreef zijn liedteksten op melodieën, die hij, in tegenstelling tot de uitgevers van het Geuzenliedboek, in notenschrift weergaf. Valerius was niet de componist van de melodieën; hij koos ze uit de liederenschat van zijn tijd. Ook de canon "Neemt my in der handt", die hij op de titelpagina liet afdrukken, heeft hij niet zelf gecomponeerd; de melodie is ontleend aan de Stichtelycke Rymen (1624) van Dirk Raphaelszoon Camphuysen. 

Beluister van Dirk Raphaelszoon Camphuysen: "wanneer het hert" (MP-3 0.30 min)

Tekst:

Wanneer het hert, nu klaer van sonden en gebreken

en qua'door goed ghewoont al heel verbannen is

dan moet noch van den mensch veel scherp zijn toegekeken

dat hy't gemoed steeds houd'in die gestaltenis

daer 't eens was komt veel water we'er

daer 't eerst  kleefd'hecht wel weer wat quads

al is de deugd in 't hert al veer

't is een bestormelijcke plaets

doorsoeck, al 's herten holen

de wacht is ons bevolen.

UIT: Stichtelijcke Rijmen. (1647)

De Gedenck-clanck ziet er schitterend uit. Het boek is verlucht met fraai uitgevoerde allegorische, of liever: emblematische voorstellingen. Het zijn deze bijzondere uitvoering, de melodieën en de strekking van de lied-teksten die in later tijd de aandacht op de Gedenck-clanck vestigden. Vooral de vaderlandslievende en godvrezende toon verklaart de populariteit van de liederen bij de schoolmeesters in de eerste helft van onze eeuw. In de 17de eeuw lijkt het boek echter nauwelijks te zijn opgemerkt: er verschenen geen herdrukken van, en in andere liedboeken vinden we geen verwijzing naar Valerius' liedteksten.
Drie liederen uit de Gedenck-clank heeft Valerius overgenomen uit het Geuzenliedboek. Het belangrijkste daarvan, en het belangrijkste geuzenlied in het algemeen, is het Wilhelmus. De anonieme dichter van ons huidige volkslied zal de melodie in een andere, eenvoudiger en zingbaarder gedaante hebben gekend. 

Het Wilhelmus (tekst)

Beluister muziekfragment: "Wilhelmus van Nassouwe" (Duitse versie) (MP-3 0.30 min)

Beluister muziekfragment: "Wilhelmus"  (Mp-3 0.41 min)

Het kwam vaak voor dat strijdende partijen elkaar tarten door liederen van de tegenpartij te misbruiken. Zo is het Wilhelmus, behalve dat het de melodie leverde voor talloze prinsgezinde liederen, op zijn beurt weer in katholieke handen gevallen. Een fraai voorbeeld is het Duivelsliedeken op Willems nazaat, Frederik Hendrik:

Henricus van Nassouwe, is eenen vromen Helt;

Hy is ons wel getrouwe, en dient ons zonder Gelt,

hy destrueert de Landen, en sticht een tweede Hel,

Met Kerkcken te verbranden, hy doet zijn dinghen wel

 

Ook de calvinist Revius benutte een vijandelijke melodie voor zijn bijtende

Gebedt voor de belegeringe van 's Hertogen-Bos:

Geeft de Vaticaensche pry

Dubbelt voor haer moordery,

Smacktse schiederlijck her-onder

Dat den Hemel sich verwonder

Want zy pralet veel te seer,

Wilt ons horen lieve Heer.

Te zingen op de gregoriaanse litanie Te rogamus audi nos.

Omgekeerd laat de katholieke Zuidnederlander Claude de Clerck in een toneelstuk de geusgezinden een psalm zingen, wanneer ze vernemen dat de voor hen strategisch belangrijke Schenkenschans is gevallen. Zeer toepasselijk kiest hij daarvoor Psalm 130:

Uit de diepten, 0 Heere.

Een zeer direct verband tussen lied en tegenlied toont een geuzenlied uit de tijd van Frederik Hendrik. In 1638 heeft Willem van Nassau een gevoelige nederlaag geleden bij het plaatsje Kallo aan de Schelde. De Spaansgezinden zongen:

De Geusen, de Geusen,

en die boose Fransen, boose Fransen,

sy quamen met veel schepen aen

om in Calloy te dansen.

Hebbense dat ghedaen, doense, doense,

Hebbense dat ghedaen, Geus neef comt aen.

In 1644 sloeg Frederik Hendrik terug door Sas van Gent in te nemen. Hierop werd het kostelijke geuzenlied

Alweer geen deegh, de Kuyp is leegh

geschreven, op de Toon: Hebbense dat ghedaen, doense doense'. In het voorlaatste couplet komt de dichter expliciet over de ontlening te spreken:

Het malle Liedt, singht ghy nu niet

Graef Willem in het schuyije, in het schuyije

En hoe hy Callo weer verliet,

Sus, Sus: nu heefi dat Fluyije

Vry een andre Toon, Jammer, Jammer

Vry een andre toon:

Doch tis dijn loon.

Elke groepering greep naar dit wapen om de tegenstanders zwart te maken en de eigen mensen moed in te spreken. Behalve liederen van calvinisten tegen katholieken en omgekeerd dan wel prins- tegen Spaansgezinden en omgekeerd zijn er liederen van remonstranten tegen contra-remonstranten en omgekeerd, en liederen van wederdopers tegen calvinisten en omgekeerd. 

Een enkeling zag in dat deze onderlinge verdeeldheid tot niets leidde, zoals ene Robbert Robberts, die dit lied dichtte:

Men hoort nu seven Wijven kijven,

Om Christi naem of broeck alleyn,

Sy willen al by Christo blijven,

En doen haer selfs lusten onreyn,

Dus en trouwt er geen,

Blijftt met een gemeen.

Zoals vrouwen om de hand van een man kijven, zo strijden de kerken en sekten om Christus. De oudste van de zeven zusters, de katholieke kerk, heeft haar goedje verteerd en is geen man met eer waard. De tweede ziet de knaapjes gaarne lustig op de luiten slaan (Luther wordt vaak als 'luiter', luitspeler, afgebeeld), de derde zuster is dol op kalfs- (Calvijns) bout,

bewerkt van http://www.digischool.nl/