NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
  Kerkelijk Jaar
Hoofddienst   Getijden   Devotie   Uitingsvormen  

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis




Het Volkslied. (zie ook Volkslied: Het Geuzenliedboek)

Bij de grote bewegingsvrijheid, die de derde stand tijdens de Renaissance genoot, kan het niet verwonderen dat het volkslied een ongekende bloei beleefde. Van het verlangen naar levenslust was het de gepaste uiting. Het was het eigen, levende, onvervreemdbare bezit van het volk. De maker was onbekend:

„Die ons dit liedeken dichte
„ende eerst gesongen haet
, „hij en derf hem niet noemen
„van wegen zijnder stat.

(Let op het in een adem noemen van dichten en zingen: de muziek is een integrerend deel van het volkslied, zoals we zeiden).

Of:
„Die dit liedeken eerstwerf sanck
„dat waren drie ruyters fijn (!)
Of:
„Die dit liedeken dichte
„Sinen naam was Hansken sonder gelt.

Het was niet noodzakelijk dat de melodieen genoteerd werden; gebeurde dit toch: dan op de allereenvoudigste wijze, pro memorie (zie Nvb. 12b). Toch zijn veel melodieen bewaard gebleven (1 Het is opmerkelijk dat de voornaamste verzameling wereldse volkspoezie, het Antwerps Liederboek van 1544 gaan muziek afdrukt, maar zich bepaalt tot de aanwijzing: 'op de wijs van') en wel in enkele verzameiingen geestelijke liederen: zeer veel van deze liederen maakten
gebruik van wereldlijke wijzen. De oudste bron is:

„Een devoot ende Profitelyck Boecxken,,inhoudende veel ghestelycke Liedekens ende Leysenen, diemen tot deser tijt toe heeft connen ghevinden in prente (= in druk) oft in gheschrifte (= in hs.) uit diversche steden ende plaetsen bi een vergaedert ende bi malcanderen ghevoecht."

Een specimen van de bizondere notatie gaven wij reeds in Nvb. 20a.
Een aparte plaats nemen de zgn. parodie-liederen in: alleen de beginregel van wereldlijk en geestelijk lied zijn gelijkluidend. Hierinee was ook aangegeven welke voois men moest zingen: „Ende alsmen die weerlicke
liedekens bi die noten niet en vint staande, dan weet dat het gheestelyc liedeken beghint ghelyc eenich weerlic liedeken dat wel bekent is."
De beide bekende geestelijke en wereldlijke versies van „Het daghet in den Oosten" geven hiervan een voorbeeld. Een ander (1 We zouden hier haast kunnen spreken van een parallel-lopen. De volgehouden parodie is overigens niet ten gunste van de literaire waarde van het geestelijk lie) is:

O weerde mont ---------------- O waerde mont
Maria ghi hebt doerwont-------- Ghi maect ghesont
Myns herten gront -------------- Mijns herten gront
Ick maect u cont ---------------- Tot alder stont
Tot alder stont-------------------- Als ick bi u mach wesen
Mocht mi troost van u gheburen---- So ben ick al genesen.
So waer ick ghesont
In corter stont
Tot aller uren

Van vele wereldlijke liederen schijnt in die tijd de wijs reeds verloren:
„Ende daer na. zijn int eynde des boecx sommighe liedekens ende leysenen sonder noten, want men den toon niet en heeft connen ghevinden, omdat si uiter memorien van vele menschen syn, die daer toe versocht syn, daer ghi een vooys op dichten moecht na u devocie."

Een jaar na het Devoot en Profitelyck Boecxken verscheen te Antwerpen in 1540 bij Simon Cock een bundel geestelijke poezie genaamd „Souterliedekens". Souter is afgeleid van Psouter, Psalm. De bundel bevat n.l. de door de Utrechtenaar Willem van Zuyleri van Nyevelt in dichtmaat vertaalde 150 Psalmen Davids. Zo is deze bundel zeer typerend voor de tijd van ontstaan, met zijn steeds groeiende drang naar persoonlijk beleven van de Bijbelse teksten. Ook in geestelijk opzicht gaat de derde stand zich meer onafhankelijk voelen. Bij de behandeling der Middel-eeuwen hebben wij meermalen gelegenheid gehad hierop te wijzen.

Reeds in 1480 verscheen te Delft een proza-vertaling der Psalmen, en Erasmus vermeldt dat in zijn jeugd de Begijnen in Vlaanderen Psalmen zongen. Een schrijver uit de 16e eeuw (Florimond Remond, 1546)
getuigt:

„De Psalmen werden van een yegelyck begeert, en aangenomen, met alleenlyck van die naer het Lutherdom roken maer oock van de Katholycken selfs, een yegelyck had syn vermaeck in die te singen; want sy waren inder daet vermakelyck(! ?), en licht om te leeren en bequaem om op de violen en andere instrumenten te spelen."

Men kan Van Nyevelts berijmingen zelfs beschouwen als een Rooms-Katholiek antidotum voor de vrijere vertalingen van Marot, die van de hebreeuwse tekst zei:

„Que la rigueur du long temps les avait
„Rendus obscurs et durs d'intelligence (1 Ook die van marot waren in Frankrijk zeer populair: 'Le laboureur à sa charrue / le charretier parmy la rue / et l 'artisan en sa boutique / avec un psaume ou cantiqye.' Ook aan het Franse hof vonden zij gretig aftrek. De Duphin b.v. placht Ps 42 als jachtlied te bezigen.).

Dat ze niettemin in een verdachte reuk bij de Clerus gestaan moeten hebben is door de onderzoekingen van Scheurleer aan het licht gekomen (zie literatuurlijst). Hij heeft n.l. vastgesteld dat er alleen al negen clandestiene herdrukken zijn uitgegeven onder het jaartal 1540. Behalve uit verschillen in de tekst bleek dit uit de titelprent, in welks cliche een
scheur overdwars voorkomt: bij de latere drukken vertoont het steeds weer gebruikte houtblok een aanzienlijk bredere barst dan bij vroegere!
Een bizonder verbod tegen de Souterliedekens is met bekend. Wel blijkt uit het edict van Karel V (1550) dat men in zijn doen en laten niet vrij was en dat men „eenighe boucken, referijnen, balladen, liedekens, epistelen" ,met en (zal) prenten noch doen prenten", „ten sy dat de zelve eerst ghevisiteert waren". Waarschijnlijk vielen de Souterliedekens
hieronder. Overigens was het doel van Van Zuylen alleen geweest: „Om in de plaetse van sotte vleeschelyce liedekens wat goets te mogen singhen daer God door gheert ende si door gesticht mogen worden."

Dat een geestelijk tegenwicht tegen de soms wel erg „vleeselijke" en „wereldse" liederen gewenst was kan men zelf aan de hand der bij de melodieen behorende teksten, die Mevr. Mincoff Marriage bijeengezocht heeft (zie literatuurlijst) constateren.

Typerend voor de tegenstelling Noord-Zuid is het feit dat wij in Noord-Nederland een heel wat ernstiger lied-literatuur hadden: de Geuzenliederen. Ook deze gingen op bekende en geliefde wijzen: de Wilhelmus-melodie b.v. vinden we 15 maal gebruikt, die van Psalm 36 negen maal (deze melodiewerd reeds in Frankrijk als strijdlied gebruikt;
Douen noemt haar de „Marseillaise huguenot") (1 Het meest bekend is wel de Parodie op Ps 79: 'De Heydnen zijn in uw erfdeel gevallen / Sy hebben ontheylight onder hen allen / Den tempel schoon ', aldus 'overgezet': 'De Geuse zijn in Bomlerwaard gevalle / Sy hebben mijn ontnomen met hun allen / Een hupsche schans' (Kardinaal Albertus in de mond gelegd)). En hoewel juist deze melodie van Duitse oorsprong is, en hoewel in het „Nieuw Geusen Lieden Boecxken" van 15 8 r verder slechts een Franse melodie voorkomt, is het met de bloei van het eigen lied voorbij. De derde druk van hetzelfde Geuzenliedboek bevatte in 1592 reeds vier vreemde melodieen!
De Franse invloed overwoog. Reeds in de Souterliedekens is zij merkbaar. Een typisch voorbeeld biedt daar Psalm CXXVIII, die gezongen wordt op de wijs van „Il me suffit de tout mes mal", zijnde de sopraan van een chanson van Cl. de Sermisy en welke wijs in 1544 in Duitsland werd gebruikt voor het koraal ,Was mein Gott will das gescheh' allzeit" (o.a. nog in de Matthaeus Passion van Bach!).
Het is vooral het Calvinisme geweest dat een groot aantal Franse volksliederen hier geimporteerd heeft.

 

Muziek in Nederland in de 16e eeuw (Uit: W.H. Thijsse, Zeven Eeuwen Nederlandse Muziek, Rijswijk 1949)