NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
 Kerkelijk Jaar
Hoofddienst  Getijden Devotie Uitingsvormen 

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw



De Gelijkenis van de talenten

Matteus 25: 14 - 30

 

 

14 Of het zal zijn als met een man die op reis ging, zijn dienaren bij zich riep en het geld dat hij bezat aan hen in beheer gaf.

15a Aan de een gaf hij vijf talent, aan een ander twee, en aan nog een ander één, 15b ieder naar wat hij aankon. 15c Toen vertrok hij. Meteen 16 ging de man die vijf talent ontvangen had op weg om er handel mee te drijven, en zo verdiende hij er vijf talent bij. 17 Op dezelfde wijze verdiende de man die er twee had gekregen er twee bij. 18 Degene die één talent ontvangen had, besloot het geld van zijn heer te verstoppen: hij begroef het.
19 Na lange tijd keerde de heer van die dienaren terug en vroeg hun rekenschap. 20a Degene die vijf talent ontvangen had, kwam naar hem toe en overhandigde hem nog vijf talent erbij met de woorden: 20b “Heer, u hebt mij vijf talent in beheer gegeven, 20c alstublieft, ik heb er vijf talent bij verdiend.” 21a Zijn heer zei tegen hem: 21b “Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. 21c Omdat je betrouwbaar bent gebleken in het beheer van een klein bedrag, 21d zal ik je over veel meer aanstellen. 21e Wees welkom bij het feestmaal van je heer.” 22a Ook degene die twee talent ontvangen had, kwam naar hem toe en zei: 22b “Heer, u hebt mij twee talent in beheer gegeven, 22c alstublieft, ik heb er twee talent bij verdiend.” 23a Zijn heer zei tegen hem: 23b “Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. 23c Omdat je betrouwbaar was in het beheer van een klein bedrag, 23d zal ik je over veel meer aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.” 24a Nu kwam ook degene die één talent ontvangen had naar hem toe, hij zei: 24b “Heer, ik wist van u dat u streng bent, 24c dat u maait waar u niet hebt gezaaid 24d en oogst waar u niet hebt geplant, 25a en uit angst besloot ik uw talent te begraven; 25b alstublieft, hier hebt u het terug.” 26 Zijn heer antwoordde hem: “Je bent een slechte, laffe dienaar. Je wist dus dat ik maai waar ik niet heb gezaaid en oogst waar ik niet heb geplant?

27a Had mijn geld dan bij de bank in bewaring gegeven, 27b dan zou ik bij terugkomst mijn kapitaal met rente hebben terugontvangen.

28 Pak hem dat talent maar af en geef het aan degene die er tien heeft.

29a Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, 29b maar wie niets heeft, 29c hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen. 30 En die nutteloze dienaar, gooi die eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.”

Lucas 19: 11 - 27

11a Aan de mensen die stonden te luisteren, vertelde hij nog een gelijkenis, 11b aangezien hij nu dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het koninkrijk van God nu spoedig zou aanbreken. 12a Hij zei: 12b ‘Een man van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. 13a Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme 13b en zei tegen hen: 13c “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” 14a Maar zijn landgenoten haatten hem 14b en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: 14c “We willen niet dat die man koning over ons wordt!”

 

15a Bij zijn terugkeer, toen hij het koningschap had ontvangen, liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen 15b om te vernemen wat ze met handeldrijven hadden verdiend. 16a De eerste kwam en zei: 16b “Heer, uw geld heeft het tienvoudige opgeleverd.” 17a Zijn meester zei: 17b “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar. 17c Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings 17dverleen ik je het bestuur over tien steden.”

18a De tweede kwam zeggen: 18b “Uw geld, heer, heeft het vijfvoudige opgebracht.”

19a Tegen hem zei hij: 19b “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.”

 

20a Toen kwam de derde dienaar, die zei:20b “Heer, hier is uw geld, ik heb het in een doek voor u bewaard. 21a Ik was bang voor u, omdat u een streng man bent 21b die terugvordert wat hij niet heeft gestort 21c en oogst wat hij niet heeft gezaaid.”

 

22 Zijn meester zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar, met je eigen woorden zal ik je veroordelen! Je wist dat ik een streng man ben en terugvorder wat ik niet heb gestort en oogst wat ik niet heb gezaaid? 23 Waarom heb je mijn geld dan niet bij de bank in bewaring gegeven? Dan had ik het bij mijn terugkeer met rente kunnen opvorderen.” 24a En tegen degenen die erbij stonden zei hij: 24b “Neem hem de honderd drachme af en geef ze aan de knecht die het tienvoudige verworven heeft.” 25a Ze zeiden tegen hem: 25b “Heer, hij heeft al het tienvoudige!” 26a “Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; 26b maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen. 27 En die vijanden van mij die niet wilden dat ik koning over hen werd, breng hen hier en dood ze voor mijn ogen.”’

 

GELIJKENIS VAN DE TALENTEN [Mt.25,14-3o; Lc.19,12b-27]
Deze gelijkenis komt in twee aanmerkelijk van elkaar verschillende versies voor. In de parabel van de talenten bij Mt.25,14-30 en in de gelijkenis van de ponden bij Lc.19,12b-27. Volgens de het moderne parabelonderzoek dient men de lucaanse parabel van de talenten/ponden/drachmen te zien als het resultaat van een samensmelting van de gelijkenis van de talenten met een andere parabel, die gewoonlijk als de `parabel van de troonpretendent' wordt aangeduid. De telkens weer voorkomende fragmenten van de `parabel van de troonpretendent' geven aan de lucaanse gelijkenis van de ponden de `koninklijke' omlijsting waardoor deze zich reeds uiterlijk onderscheidt van de Matteus-versie die in een `burgerlijk' milieu speelt. Bij Lucas is de hoofdpersoon van de gelijkenis een man van hoge geboorte die koning wordt (Lc.19,12b.14c.15a), zijn aanhangers met stadhoudersambten `koninklijk' beloont (17d. 19b) maar op despotische en wrede wijze wraak neemt op zijn vijanden (vs.27). Bij Matteus daarentegen is het een man van burgerlijke afkomst. - Daar waar de beide versies belangrijk van elkaar afwijken, wordt in de nu volgende uitleg telkens eerst de `koninklijke' Lucas-versie en dan de `burgerlijke' Matteiisversie besproken.
In Lc.19,m, dat in het derde evangelie onmiddellijk aan onze parabel voorafgaat, wordt de reden vermeld die volgens de derde evangelist Jezus tot het vertellen van onze gelijkenis had bewogen:


Lucas 19: 11

11a Aan de mensen die stonden te luisteren, vertelde hij nog een gelijkenis, 11b aangezien hij nu dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het koninkrijk van God nu spoedig zou aanbreken.


Gelet op het verband waarin Lucas dit vers plaatst lijkt het alsof Jezus in het huis van Zacheus (vg1.Lc.19,1-10) de in het derde evangelie onmiddellijk er op volgende parabel van de talenten had verteld. De eerste toehoorders van deze gelijkenis werden in ons vers slechts in het algemeen genoemd (vgl. `men' in 11a en 11b). Men mag echter gerust aannemen dat zij op de eerste plaats tot de leerlingen was gericht. Al geeft het vers niet de historische aanleiding tot het vertellen van de gelijkenis van de talenten weer, toch mag men er de verwoording in zien van hetgeen waarover de leerlingen tijdens him laatste tocht naar Jeruzalem intensief nadachten. Zij vooral waren het die geloofden dat het Rijk Gods nu weldra zou `oplichten', `opglanzen' (zo luidt de letterlijke vertaling van het aan het slot van 11b gebruikte Griekse werkwoord anaphainesthai). Zij alleen wisten immers uit de lijdensvoorspellingen van Jezus dat er in Jeruzalem binnenkort iets beslissends zou gebeuren. Wat lag er nu meer voor de hand dan dat zij die in weerwil van de lijdensvoorspellingen bevangen waren door valse verwachtingen omtrent het Godsrijk (vgl. de begeerte naar wereldlijke macht van de beide zonen van Zebedeiis bij Mt.20,20-28 par. - vlak na de derde lijdensvoorspelling van Mt.20,17-19 par.!), zich aan een illusie overgaven? En wel de illusie dat Jezus binnenkort (`onmiddellijk' 11b) de Godsheerschappij op aarde zou vestigen door de luisterrijke oprichting van een machtig aards rijk en dat Hij hen, zijn leerlingen, door het verlenen van vooraanstaande posities in zijn koninklijke heerschappij zou laten delen.
Volgens de voorstelling van de derde evangelist wilde Jezus in de gelijkenis van de ponden de vergissing rechtzetten die de leerlingen maakten met dat `onmiddellijk' (11b). In onze gelijkenis namelijk ziet Lucas verwoord dat Jezus niet reeds in de nabije toekomst zijn Rijk zou laten `oplichten', maar dat Hij eerst deze wereld zou moeten verlaten om pas na een lange tussentyd (vgl. `na lange tijd' Mt.25,19) als stralende koning in de parousie zou wederkomen. De tussentijd van 's Heren afwezigheid zou voor zijn leerlingen een tijd van beproeving zijn:

Matteus 25: 14 - 18

14 Of het zal zijn als met een man die op reis ging, zijn dienaren bij zich riep en het geld dat hij bezat aan hen in beheer gaf. 15a Aan de een gaf hij vijf talent, aan een ander twee, en aan nog een ander één, 15b ieder naar wat hij aankon. 15c Toen vertrok hij. Meteen 16 ging de man die vijf talent ontvangen had op weg om er handel mee te drijven, en zo verdiende hij er vijf talent bij. 17 Op dezelfde wijze verdiende de man die er twee had gekregen er twee bij. 18 Degene die één talent ontvangen had, besloot het geld van zijn heer te verstoppen: hij begroef het.

Lucas 19: 12 - 14

12a Hij zei: 12b ‘Een man van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. 13a Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme 13b en zei tegen hen: 13c “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” 14a Maar zijn landgenoten haatten hem 14b en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: 14c “We willen niet dat die man koning over ons wordt!”


Laten we beginnen met Lc. 19,12-14.
Lc. 19, 12-14 weerspiegelt een brok joodse geschiedenis. Teneinde het koningschap te verkrijgen had Herodes de Grote in 40 v. Chr. een tocht naar Rome ondernomen. Na zijn dood (4 v.Chr.) reisde zijn zoon Archelaus naar Rome in de hoopvolle verwachting, zoals eens zijn vader als koning terug te keren. Hij ontving echter slechts de titel van ethnarch (`volksvorst'), want een joods gezantschap had bij de Romeinse keizer een verzoek ingediend om hem niet te benoemen, hetgeen dan ook niet geschiedde.

Afgaande op Lc.19,13a zou men kunnen veronderstellen dat elk van zijn dienaars tien ponden had ontvangen. Uit 16b en
18b (`uw pond') blijkt echter duidelijk dat elke dienaar slechts in het bezit van een pond was gesteld.
In de Lucas-versie van de parabel valt meteen al het naar verhouding geringe bedrag aan geld op dat aan elke dienaar werd gegeven om `er zaken mee te doen' (13c): 1 mina (pond)= 100 drachmen = ongeveer 100 denarien; 1 denarie was het karige dagloon van een arbeider (vgl.Mt.2o,2). Een mina of pond was dus ongeveer gelijk aan het beslist niet grote bedrag dat een dagloner in drie maanden kon verdienen. Hoe kon je nu met een armzalig pond dat door de teruggekeerde heer in 17c met nadruk als iets `kleins' werd omschreven, zulke geweldige `zaken' doen?
De kleine geldsom die aan de dienaars wordt gegeven past al helemaal niet voor een hoogadellijke troonpretendent, vooral wanneer hij daardoor hun betrouwbaarheid wil beproeven. Deze `koninklijke' verzen van Lc.19,12-14 behoren echter, zoals boven reeds werd opgemerkt, nauwelijks tot de oorspronkelijke parabel van de talenten. Het weinig waardevolle pond bij Lucas kunnen we zien als een allegorische trek: het is een passend symbool voor het woord van God dat in het oog van de wereld geen hoge marktwaarde bezit.
Het ligt voor de hand dat in. de `man van hoge geboorte' (12b) een zinspeling op Jezus is te zien, Jezus de telg uit het koninklijke geslacht van David, die zijn leerlingen (hier de tien dienaars) het godswoord van zijn leer ter verkondiging heeft toevertrouwd. Tot aan de parousie van Christus hebben zijn leerlingen de kans om zich als `dienaren van her woord' (Lc. 1, 2) waar te maken. Zo gezien wordt ook het in de profane werkelijkheid zo onwaarschijnlijk lijkende detail van Lc.19,14 (wanneer een troonpretendent alle burgers tegen zich heeft [vgl. 14a], dan is zijn streven naar de macht uitzichtloos) zinvol. Het mag als een aanvullende verwijzing naar Jezus gelden, omdat het voornaamste streven van Christus, de vestiging van Gods heerschappij, bij zijn joodse volksgenoten, vooral bij de leiders van het toenmalige jodendom, de hoge geestelijkheid en de schriftgeleerden, een haast eensgezind onbegrip ontmoette.

Mt.25,14-18.
Deze passage vertoont bij Matteus opmerkelijke afwijkingen met de parallelle passage bij Lucas (19,12-14). Bij Matteus is de heer die op reis gaat geen aristocratische troonpretendent, maar een man van burgerlijke afkomst, die een reis naar het buitenland onderneemt, misschien een handelaar die een handelsreis onderneemt. Voor zijn vertrek stelt de heer zijn hele vermogen ter beschikking van zijn drie dienaars. Bij Matteus krijgen we de indruk dat hij slechts deze drie in dienst gehad heeft. Bij Lucas echter worden uit de grote schare tien dienaars uitgekozen. Volgens Mt.25,15b ontvangen (afwijkend van Lucas) die dienaars ieder naar zijn bekwaamheid een verschillend bedrag (ook weer anders dan bij Lucas) van aanzienlijke waarde. De waarde van een `talent' wordt door kenners van de oudheid verschillend geschat al naar gelang de tijd en de streek.
Het is de bedoeling van de vertrekkende heer dat de dienaars de hun toevertrouwde bedragen gebruiken om zaken te doen. (Dit wordt slechts bij Lucas [19,13c] uitdrukkelijk vermeld). Bij Matteus gaat de eerste (waarschijnlijk ook de tweede) dienaar onverwijld met grote ijver aan de slag (vgl. `terstond' Mt.25,16). Hun wellicht pas `na lange tijd' (Mt.15,19) behaald succes betekent bij de eerste als ook bij de tweede dienaar tenslotte een kapitaalsvermeerdering van 100%.
Bijzondere aandacht dient men aan Mt.25,15b (`ieder naar zijn bekwaamheid') te schenken. Volgens dit vers hield de uitkering van de geldsommen verband met de verschillende graden van bekwaamheid der dienaars. Dit speciale detail bij Matteus moest waarschijnlijk de even belangrijke als troostende gedachte accentueren dat God aan de mensen verschillende taken oplegt en wel met dien verstande dat de `prestatie' en dienovereenkomstig ook de verdienste van de enkeling onafhankelijk is van de grootte van de hem opgelegde taak. (Men lette er op dat in de redactie van Matteus de belofte van het te verwachten loon dat de heer bij zijn terugkomst aan de beide eerste dienaars gaf letterlijk dezelfde was; vgl. Mt.25,21b-e met 23b-e). Niet de meer of minder grote of kleine positie op `Gods akker' (1 Kor.3,9) al naar gelang de bekwaamheid telt bij God, maar de mate van de betrachte nauwgezetheid!
In tegenstelling tot de beide eerste dienaars voldoet de derde dienaar uit luiheid niet aan hetgeen de heer van hem had verwacht. Hij begraaft het hem toevertrouwde pond in de grond en was zodoende volgens de toenmalige joodse rechtsopvatting tenminste bij een eventuele diefstal niet verplicht de schade te vergoeden.
Met de terugkeer van de heer begint het tweede deel van onze gelijkenis :

Mt.25,19-23
19 Na lange tijd keerde de heer van die dienaren terug en vroeg hun rekenschap. 20a Degene die vijf talent ontvangen had, kwam naar hem toe en overhandigde hem nog vijf talent erbij met de woorden: 20b “Heer, u hebt mij vijf talent in beheer gegeven, 20c alstublieft, ik heb er vijf talent bij verdiend.” 21a Zijn heer zei tegen hem: 21b “Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. 21c Omdat je betrouwbaar bent gebleken in het beheer van een klein bedrag, 21d zal ik je over veel meer aanstellen. 21e Wees welkom bij het feestmaal van je heer.” 22a Ook degene die twee talent ontvangen had, kwam naar hem toe en zei: 22b “Heer, u hebt mij twee talent in beheer gegeven, 22c alstublieft, ik heb er twee talent bij verdiend.” 23a Zijn heer zei tegen hem: 23b “Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. 23c Omdat je betrouwbaar was in het beheer van een klein bedrag, 23d zal ik je over veel meer aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.”

Lc. 19,15-19
15a Aan de een gaf hij vijf talent, aan een ander twee, en aan nog een ander één, 15b ieder naar wat hij aankon. 15c Toen vertrok hij. Meteen 16 ging de man die vijf talent ontvangen had op weg om er handel mee te drijven, en zo verdiende hij er vijf talent bij. 17 Op dezelfde wijze verdiende de man die er twee had gekregen er twee bij. 18 Degene die één talent ontvangen had, besloot het geld van zijn heer te verstoppen: hij begroef het.
19 Na lange tijd keerde de heer van die dienaren terug en vroeg hun rekenschap.


Lc. 19,15-19
Van de tien dienaars aan wie elk volgens Lucas een pond was toevertrouwd, verschenen er slechts drie om rekenschap te geven ; vgl. Lc. 19, 16-18-20v.! Het niet noemen van de overige zeven dienaars heeft duidelijk een verhaaltechnisch-esthetische reden. Het opsommen van alle tien zou de toehoorders vermoeien. Aangezien bij Lucas (19,16-18) de prestatie van de beide ijverige dienaars verschillend is (een tien- resp. een vijfvoudige opbrengst van het toevertrouwde ene pond), verschijnen hier de drie ter verantwoording geroepen dienaars als drie typische voorbeelden voor een van elkaar verschillend goed beheer van het toevertrouwde goed: de grootste nauwgezetheid (vs. 16), een middelmatige ijver (vs. 18), een onverschillige passiviteit (vs.20 v.). (In de redactie van Matteus, waar de prestatie van de beide goede dienaars dezelfde is - het gaat telkens om de verdubbeling van het toevertrouwde kapitaal; vgl. Mt.25,20b.c met 22b.c - kan deze drievoudige trapsgewijze opklimming niet gebruikt worden.)
De bewoordingen waarin de beide vhjtige en succesvolle dienaars hun verantwoording kleden luiden in de redactie van Lucas (19,16b.18b) bescheiden: `Heer, uw pond heeft er tien (vijf) opgebracht.' Wel valt het op dat geen der beide dienaars aanstalten maakt om het kapitaal met de rente aan de heer te overhandigen. (Van de luie dienaar moet het pond zelfs nadrukkelijk worden afgepakt; vgl. Lc.19,24b!) De beide dienaars beperken er zich enkel toe verslag te doen van de kapitaaluitbreiding. (Net zo gedragen zich ook de beide dienaars op de parallelplaatsen bij Matteiis [25,20b-c.22b-c].)

De NBV vertaling van Matteus geeft de indruk dat het geld eigendom blijft van de Heer. Dat is waarschijnlijk onjuist. Ook verder in de gelijkenis komt naar voren dat de dienaars het hun toevertrouwde kapitaal benevens de rente blijkbaar als hun eigendom beschouwen, aan de andere kant echter - tenminste afgaande op him bescheiden woorden bij Lc.19,16b.18b-de verkregen winst niet aan hun eigen bekwaamheid maar aan het kapitaal van de heer toeschrijven. Zo, krijgt de volgende religieuze werkelijkheid duidelijk profiel: Het kapitaal dat de heer zijn dienaars heeft toevertrouwd symboliseert de geestelijke goederen die Christus zijn leerlingen tot nut van her Godsrijk heeft toevertrouwd. De door het werk van de dienaars verkregen winst veraanschouwelijkt de winst die de leerlingen ten bate van het Godsrijk hebben behaald en wel door een nauwgezet beheren en benutten van de hun toevertrouwde goederen. Al is de voor het Godsrijk behaalde winst de vrucht van het werk der leerlingen, toch is zij uiteindelijk van God afkomstig, `die de wasdom geeft' (1 Kor.3,7). Enerzijds zijn de de leerhngen toevertrouwde gaven iets dat hun persoonlijk in bezit is gegeven (het zijn hun talenten), anderzijds echter blijven het steeds gaven van God.
De aard van het loon die de beide goede dienaars ontvangen blijft bij Lucas (19,17d.19b) binnen het kader van de profane werkelijkheid. Overeenkomstig hun verschillende prestaties ontvangen zij het ambt van stadhouder over tien, resp. vijf steden in het rijk van de pas benoemde koning.

En nu Matteus 25,19-23.
In tegenstelling tot de bescheiden constatering van de beide vlijtige dienaars bij Lc.19,16b.18b (`Heer, uw pond... heeft opgeleverd`) luidt de formulering van de parallelplaatsen bij Matteus (25,20c.22c) `vijf (twee) talenten heb ik erbij verdiend' enigszins zelfbewust.
Eigenaardig doet bij Matteus het twee maal (25,21c.23c) voorkomende `over weinig waart ge trouw' aan. Ze past niet in de context, want vijf, resp. twee talenten zijn waarachtig geen peulschilletje! Het twee maal gebruikte `weinig' houdt verband met de telkens volgende, kennelijk correlatieve uitdrukking `veel' (21d.23d). Het `vele' waarmee de heer de goede dienaars wil belonen, moet klaarblijkelijk worden opgevat als een verwijzing naar de hemelse beloning die Christus eens aan de trouwe en nauwgezette leerling zal geven. Dit blijkt duidelijk uit het erop volgende vers `Ga binnen in de vreugde van uw heer' (zie.23e.), dat uitgesproken door een aardse meester nauwehjks zinvol zou zijn. De `vreugde des Heren' is de zalige vereniging van de leerling met Christus in het hiernamaals. Is dus het `vele' (21d.23d) waarmee Christus de trouwe leerling eens zal belonen de eeuwige zaligheid, dan wordt daardoor de er telkens aan voorafgaande uitdrukking `weinig' (21c.23c) begrijpelijk. Want in vergelijking met de toekomstige zaligheid waarvan inhoud en afmeting alle menselijke begrippen te boven gaat (vgl. 1 Kor.2,9), zijn de aan de leerlingen op aarde toevertrouwde gaven en goederen inderdaad slechts iets `weinigs'.

Voor vervolg (De luie dienaar) klik hier