NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
  Kerkelijk Jaar
Hoofddienst   Getijden   Devotie   Uitingsvormen  

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw



 

Diverse teksten over het gebed (4)

Een pad in de sneeuw

Deze tekst heb ik vertaald uit James Finley, Merton's Palace of Nowhere. A Search for God through Awareness of the True Self, Ave Maria Press, Notre Dame, Indiana 46556, 19835, ISBN O-87793-159-3. Het opschrift boven de vertaling stamt van mijn hand.

Vragen hoe dit ware zelf te realiseren is als staan aan de rand van een groot, ondergesneeuwd veld waar nog niemand overheen is gelopen, en dan vragen: "Waar is het pad?" Het antwoord is: steek het veld over, en er zal een pad verschijnen. Je kunt niet vooraf bedenken hoe dit ware zelf te realiseren, om pas dan op te reis gaan en het helder bedachte doel te verwezenlijken. Veelmeer dien je te gaan lopen in vertrouwen, en terwijl je gaat zal het doel verschijnen - niet vóór, niet binnenin, noch achter ons, maar het zál verschijnen ... en het verschijnt aan niemand. Het verschijnt nergens. Het verschijnt niet in de openbaring van een feit, maar in een verandering van ons hart, waarin, zonder te weten hóe, God ons in Zichzelf verandert, en waarin we op duistere wijze en tegelijkertijd heel diep gaan beseffen dat ons leven, samen met Christus, heel diep verborgen is in God.
Waarmee kunnen we deze ontdekking vergelijken? Het is als de ervaring van een man die, eenzaam wandelend op een bitter koude en sterloze nacht, onverwachts een groot en warm uitziend huis ontdekt. Als hij het huis nadert en zijn gezicht tegen het raam drukt, ziet hij zichzelf zitten, comfortabel slapend bij het haardvuur. Plotseling realiseert hij zich dat hij gevangen zit aan de buitenkant van zijn eigen huis. Hij komt tot het besef dat hij een rijk leven heeft, maar desondanks een armoedig bestaan leidt. Hij is geborgen, maar staat desondanks op de rand van de dood. Hij is vervuld, maar desondanks is zijn leven steriel en leeg.
Als een razende begint hij op het raam te bonzen, luidkeels schreeuwend om binnengelaten te worden. Maar het zelf in het huis hoort hem niet en, terwijl hij bonst, wordt de glasbarrière die hem scheidt van zijn eigen leven alleen maar dikker en raken zijn gebalde vuisten verstijfd van pijn.
Uiteindelijk, wanneer hij inziet dat hij niets bereikt met bruut geweld, zit hij stil in de sneeuw. Hij wordt overmand door een alles verterend en steeds sterker wordend verlangen, en door een onwankelbare hoop dat hij één zou mogen worden met zichzelf. Hoewel dit verlangen machteloos lijkt, is dit de kracht die zijn inwendig zelf tot ontwaken brengt. Het glas lost op en het huis verdwijnt in het niets. De man ontdekt dat hij in feite al die tijd reeds thuis was, maar het niet besefte. Hij ontdekt dat de nacht in feite zijn licht is, en dat de bittere kou in werkelijkheid een verterend vuur is van hoogste vreugde en vervulling.

- James Finley en Thomas Merton -