NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
 Kerkelijk Jaar
Hoofddienst  Getijden Devotie Uitingsvormen 

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw



Teksten van Etty Hillesum

Schrijf uw gedachten en ervaringen over de onderstaande teksten op

Teksten

Uit 'Het verstoorde leven', een keuze uit de dagboeken van Etty Hillesum door Klaas Smelik.

(30 mei 1942) Zaterdagmorgen half acht

De kale stammen, die langs mijn venster klimmen, zitten nu ònder de groene, jonge blaadjes. Een krullende vacht langs hun naakte, harde asketenlichamen.

Ja, hoe was dat gisterenavond in mijn kleine slaapkamer? Ik was vroeg naar bed gegaan en vanuit m'n bed lag ik door m'n grote, open venster naar buiten te kijken. En het was weer net of het Leven, met al z'n geheimen, vlák bij me was, of ik er aan raken kon. Ik had een gevoel of ik rustte tegen de naakte borst van het leven en haar zachte en regelmatige harteklop hoorde. Ik lag in de naakte armen van het Leven en het was er zo veilig en beschut.

En ik dacht: wat is dit toch merkwaardig. Het is oorlog. Er zijn concentratiekampen. Kleine wreedheden stapelen zich op kleine wreedheden. Als ik door de straten ga, dan weet ik van vele huizen, waar ik langs kom: daar is een zoon in de gevangenis en daar is de vader gijzelaar en daar hebben ze een doodvonnis van een 18-jarige zoon te dragen. En deze straten en huizen liggen vlak om mijn eigen huis heen. Ik weet van de opgejaagdheid der mensen, ik weet van het vele menselijke leed, dat zich stapelt en stapelt, ik weet van de vervolging en onderdrukking en willekeur en machteloze haat en veel sadisme. Ik weet het allemaal en blijf steeds oog in oog met ieder stukje werkelijkheid, dat zich aan me opdringt.

En toch - in een onbewaakt en aan mij zelf overgelaten moment lig ik opeens tegen de naakte borst van het leven en haar armen zijn zo zacht en zo beschuttend om me heen en hoe de klop van haar hart was kan ik nog niet eens beschrijven: zo langzaam en zo regelmatig en zo zacht, bijna gedempt, maar zo trouw, als nooit meer zullende ophouden en ook zo goed en zo barmhartig.

Dit is nu eenmaal mijn levensgevoel en ik geloof, dat geen oorlog en welke zinneloze menselijke wreedheden ook, daar verandering in kunnen brengen.

(12 Juli 1942) Zondagochtendgebed

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je één ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als even zovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening.

Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor instaan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.

Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.

Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is.

Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.

Voor het grote, heroïsche lijden heb ik genoeg krachten, mijn God, maar het zijn meer de duizend kleine dagelijkse zorgen, die je soms plotseling als bijtend ongedierte bespringen.

Enfin, voorlopig krab ik dan maar een beetje en zeg iedere dag opnieuw tegen mezelf: voor de dag van vandaag is nog gezorgd, de beschermende wanden van een gastvrij huis glijden nog om je schouders als een veelgedragen, vertrouwd kledingstuk, voedsel is er voor vandaag voldoende en je bed met de witte lakens en de warme dekens staat weer te wachten voor de nacht, dus mag je vandaag geen atoompje van kracht verliezen aan de kleine materiële zorgen om jezelf. Gebruik en besteed iedere minuut van deze dag en maak haar tot een vruchtbare dag, een sterke steen te meer in het fundament, waarop onze komende arme en bange dagen zich nog wat steunen kunnen.

Uit een brief van Etty aan Henny Tideman, geschreven in Westerbork

Tideke,

Ik wilde eerst m'n schrijfdag ongebruikt voorbij laten gaan wegens overgrote moeheid en omdat ik meende dat ik dit keer niets te schrijven had. Maar natuurlijk heb ik wel veel te schrijven. Maar ik laat liever m'n gedachten vrij naar jullie uitstromen, jullie vangen ze toch wel op.

Vanmiddag lag ik te rusten op m'n brits en plotseling moest ik het volgende in m'n dagboek schrijven, ik stuur het aan jou:

Je hebt me zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen. Mijn leven is geworden tot een ononderbroken samenspraak met jou, mijn God, één grote samenspraak.

Wanneer ik sta, in een hoekje van het kamp, mijn voeten geplant op jou aarde, het gezicht geheven naar jouw hemel, dan lopen me soms de tranen over het gezicht, geboren uit een innerlijke bewogenheid en dankbaarheid, die zich een uitweg zoekt. Ook ?s avonds, wanneer ik in m?n bed lig en rust in jou, mijn God, lopen me soms de dankbaarheidstranen over het gezicht en dat is mijn gebed.

Ik ben heel er moe, al enige dagen, maar dat zal ook wel weer voorbijgaan, alles gaat volgens een eigen diepliggend ritme en men moest mensen leren dit ritme te beluisteren, het is het gewichtigste wat een mens te leren heeft in dit leven. Ik vecht niet met jou, mijn God, mijn leven is één groot samenspraak met jou.

Misschien zal ik nooit een groot kunstenares worden, wat ik toch eigenlijk wil, maar ik ben al te zeer geborgen in jou, mijn God. Ik zou soms wel kleine wijsheden willen etsen en vibrerende verhaaltjes, maar ik kom altijd weer direct terecht bij een en hetzelfde woord: God, en dat omvat alles en dan hoef ik al het andere niet meer te zeggen.

En al mijn scheppingskracht zet zich om in innerlijke samenspraken met jou, de golfslag van mijn hart is breder geworden hier en bewogener en rustiger tegelijkertijd en het is mij of m'n innerlijke rijkdom steeds groter wordt.