NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
 Kerkelijk Jaar
Hoofddienst  Getijden Devotie Uitingsvormen 

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw



 

DE ONWAARDIGE EERSTGEROEPENEN TOT HET RIJK GODS

GELIJKENIS VAN DE MISDADIGE WIJNBOUWERS
[Mt. 21, 33 b-44 ; Mc. 12, 1b-11 ; Lc. 20,9b-18]

Mt. 21,33b-d

(33b) Er was eens een landeigenaar die `een wyngaard aanlegde; (33c) hy zette er een heining omheen, hakte een wynpers erin uit en bouwde een wachttoren'. (Jes. 5,1 v.). (33c) Daarop verpachtte hy hem aan wynbouwers (33d) en vertrok naar den vreemde.

Mc. 12,1b-e

(1b) Er was eens een man `die een wyngaard aanlegde, (1c) er een omheining omheen zette, een wynpers in uithakte en er een wachttoren in bouwde' (Jes.s,lv.); (1d) daarna verpachtte hy hem aan wynbouwers (ie) en vertrok naar den vreemde.

Lc. 20,9b-d

(9b) Er was eens een man `die een wyngaard aanlegde' (Jes.5,1), (9c) hem verpachtte aan wynbouwers (9d) en vervolgens voor lange tyd naar den vreemde vertrok.

Voor een beter begrip van onze gelijkenis is kennis van de maatschappehjke omstandigheden in Palestina ten tijde van Jezus niet zonder belang. De vruchtbare delen van het land waren grotendeels in handen van enige grootgrondbezitters die in de steden van Palestina of in het buitenland woonden. Deze grootgrondbezitters verpachtten hun landerijen gewoonlijk aan inheemse boeren. Dezen moesten aan daartoe gevolmachtigde afgezanten van de pachtheer een contractueel vastgesteld gedeelte van de oogst als pacht afdragen (pacht in natura).

Onze parabel vertoont opvallend veel allegorische trekken. De toestand van de wijngaard, die heel sterk aan het `Lied van de wijngaard' bij Jes. S,I-7 doet denken (vg1.Mt.21,33b-c par.), wijst er al op dat het hier niet gaat over een gewone wijngaard, maar over het volk van Israel, dat ook elders in het Oude Testament (Jes.27,2-6;Jer.I2,IO;Ps.8o,9-18) onder het beeld van de wijngaard wordt voorgesteld.

Wanneer de `wijngaard' niet in profane zin moet worden verstaan, dan volgt daaruit dat met de `landeigenaar' (lett. heer
cics huizes) bij Mt. 21,33b, resp. de `man' bij Mc. 12,Ib en Lc. 20,9b, niet een aardse wijngaardenier, maar God wordt bedoeld, zoals uit het verloop van de parabel steeds duidelijker blijkt.

Wanneer echter de `wijngaard' het volk van Israel symboliseert, dan ligt de interpretatie van de `wijnbouwers' voor de
hand: het is de taak van de wijnbouwer om te bewaken en te onderhouden. Daarom verstaat onze gehjkenis onder wijn-
bouwers degenen die toen de leiders van de joden waren: de hoge geestelijkheid en de Farizeeen. (Laatstgenoemden hadden, vooral vanwege de meestal tot hun partij behorende schriftgeleerden zeer veel invloed op de openbare mening.) De hogepriesters en de Farizeeen begrepen dan ook meteen de bedoeling van de gelijkenis en voelden zich gekwetst; vgl.Mt. 21,45 v.; Lc.20, 19.

De kosten die de `landeigenaar' aan zijn pas aangelegde wijngaard (heining, wijnpers, wachttoren) besteedt, vormen in de pacrabel slechts een decoratieve bijkomstigheid (Lucas heeft dere details dan ook gewoon weggelaten) en mogen dus niet afzonderlijk worden uitgelegd. Als totaliteit mogen wij ze echter niet als een bewijs zien dat de heer zeer veel met zijn wijngaard op had. Het feit dat de wijngaardenier naar den vreemde vertrok (Mt.21,33d par.) mag al evenmin worden geinterpreteerd - b.v. in die zin dat God zijn uitverkoren volk later zou hebben verlaten. Een dergelijke interpretatie past niet bij de erop volgende zending van de `dienaars' (= de profeten, vgl. aansluitend Mt.2I,34-36par.) en tenslotte zelfs van de `zoon' (Christus), want daaruit blijkt Gods nooit aflatende zorg voor zijn volk. Dat de heer naar den vreemde vertrok wil alleen maar zeggen dat zijn terugkeer geruime tijd op zich zal laten wachten. Lucas (ao,9d) heeft dit uitgedrukt door de toevoeging `(hij vertrok) voor lange tijd'.

Dit lange uitblijven van de heer houdt echter verband met het strafvonnis dat hij uiteindelijk aan de wijnbouwers zal voltrekken voor de door hen gepleegde gruweldaden jegens zijn afgezanten. Daar gaat de parabelverteller nu op in:

Mt. 21,34-36
(34a) Toen de tyd van de oogstgekomen was, (34b) zond hy zyn dienaars naar de wynbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen. (35a) Maar de wynbouwers grepen zyn dienaars vast. (35b) Zij mishandelden de een, (35c) doodden de ander (35d) en stenigden de derde. (36a) Daarop zond hy andere dienaars, talryker dan de eersten; (36b) maar zy behandelden hen op dezelfde manier.

Mc. 12,2-5
(2a) Op de vastgestelde tyd zond hij een dienaar naar de wynbouwers (2b) om zyn aandeel in de opbrengst van de wyngaard van hen in ontvangst te nemen. (3) Maar zegrepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. (4a) Daarop zond hy een andere dienaar naar hen toe. (4b) Maar ze sloegen hem op zijn hoofd en beledigden hem. (5a) Weer stuurde hy er een, (5b) maar hem doodden zy; (5c) en zo nog verscheidene anderen die ze mishandelden of doodden.

Lc. 20, 10-12
(10a) Op de vastgestelde tyd zond hij een dienaar naar de wynbouwers, (10b) opdat zy hem zyn deel in de opbrengst van de wyngaard zouden geven. (10c) Maar de wynbouwers mishandelden hem en stuurden hem met lege handen weg. (11a) Daarop zond hy nog een andere dienaar, (11b) maar ook die mishandelden en beledigden ze en stuurden hem met lege handen weg. (12a) Toen zond hy nog een derde, (12b) rnaar ze wierpen ook hem deerlyk gewond buiten de wyngaard.

Ieder jaar wanneer `de tijd der vruchten' (Mt. 21,43a lett.) naderde, waarmee uiteraard de oogsttij d wordt bedoeld, kwamen de pachtontvangers bij de pachters om het deel van de vruchten dat de grondbezitter toekwam af te halen. Wilde de grondbezitter niet het risico lopen dat de pachters een deel van de natuurvoortbrengselen waarop hij recht had verdonkeremaanden, dan was het zaak ervoor te zorgen dat zijn belastingontvangers al tijdens de oogst aanwezig waren. Zodoende was de oogst de `vastgestelde tijd' (Mc. 12,22) voor het heffen van de pacht. - De `tijd der vruchten', resp. de `vastgestelde tijd' kan wellicht ook worden opgevat in de zin van een eerste heffing van de pacht. Een pas aangelegde wijngaard begint immers pas cnkele jaren na de aanleg te dragen.

Aangezien de pachters in het oude Palestina vaak een kommervol bestaan leidden, zullen er nog al eens vijandelijkheden
tussen pachters en pachtontvangers hebben plaatsgevonden, maar wel niet in de mate als onze parabel beschrijft.

Volgens Marcus en Lucas stuurt de eigenaar tot drie keer toe telkens een dienaar, waarbij de door de wijnbouwers gepleegde gruweldaden elke keer in hevigheid toenemen. De weergave is verschillend. Terwijl zowel bij Marcus als bij Lucas de eerste dienaar geslagen, de tweede mishandeld en uitgescholden wordt, wordt de derde dienaar bij Marcus gedood, bij Lucas daarentegen alleen maar gewond. Door in dit opzicht van Marcus af te wijken wilde Lucas, kennehjk bedacht op literair effect, het doden van de `zoon' opsparen (vgl. Mt. 21, 39 par.) om op die manier de verheviging van de barbaarsheid der pachters tot het optreden van de zoon vol te houden.

Bij Matteus, waar van twee gezonden groepen sprake is, koelen de pachters him woede al op de eerste groep [vgl. Mt.
21,35 met 36b (`op dezelfde manier')]. Op deze wijze vervaagt in het eerste evangelie de bij Marcus en Lucas constateerbare intensivering der dramatiek. De kwantitatieve toeneming der
wreedheden door het grotere aantal dienaars bij de tweede groep van gezondenen (vgl. `talrijker dan de eersten' Mt.21,36a) valt de lezer van het Matteusevangelie immers nauwelijks op.

Meer dan aan bet begin van de parabel (Mt.21,33b-d par.) treedt in onze verzen tengevolge van de opvallend irreele trekken het sterk allegoriserende karakter van onze gelijkenis aan het licht. Er zullen wel nooit pachters hebben bestaan die met zulk een frivole wreedheid met de boden van hun pachtheer zijn omgesprongen als de wijnbouwers in onze parabel. Bepaald ondenkbaar echter in de profane werkelijkheid is het gedrag van de wijngaardenier, die in een onbegrijpelijke mildheid en lankmoedigheid zijn dienaars opoffert. Zuiver profaan gezien is een dergelijke handel wijze uitermate onverstandig en zelfs onverantwoordelijk.

In onze verzen tekent zich reeds duidelijk de godsdienstige werkehjkheid af die in de parabel van de wijnbouwers wordt
veraanschouwelijkt: pas wanneer men in de wijngaardenier God zelf ziet, wordt de mateloze lankmoedigheidvan de grondbezitter, die vooral in Mc.12,5c (`en zo stuurde hij nog verscheidene anderen') tot uitdrukking komt, begrijpelijk. Gods lankmoedigheid gaat nu eenmaal alle menselijke begrippen te boven.

In de uitgezonden `dienaars' van de wijngaardenier herkent men gemakkelijk de profeten van het Oude Verbond, de `dienaars van God' (vgl. Jer. 7,25; Am. 3,7). Volgens het Oude Testament heeft God herhaalde malen zijn profeten naar zijn volk gezonden, in bet bijzonder naar de koningen.

Op het eerste gezicht kan de wreedheid van de wijnbouwers in onze parabel verbazing wekken. Ziet men in hen echter de leiders van het joodse volk (vgl, hetgeen hierboven gezegd is over Mt. 2I,33b-dpar.), dan is men niet meer verrast door de omnenselijke wreedheid der wijnbouwers. Het Oude Testament vertelt immers op meer dan een plaats dat goddeloze koningen profeten die in naam van God tot hen kwamen, lieten mishandelen (vgl.Jer.2o,IV.), ja zelfs lieten doden; vgl.Jer.26, 2o-23 (de moord op de profeet Uria door koning Jojakim) ; 2Kron.24,20-22 (geciteerd bij Mt.23,35;Lc.11,51: vermoording van de profeet Zacharia, de zoon van Jojada, op bevel van koning Joas).

Met een reuzegeduld dat slechts begrijpelijk is als men in de wijngaardenier God zelf ziet, probeert de beer van de wijn-
gaard ook nog het laatste: hij stuurt zijn `geliefde' (Mc.12,6a; Lc.20,13c), d.i, zijn enige zoon naar de wijnbouwers toe:

Mt. 21, 37-39
(37a) Tenslotte stuurde hy zyn zoon naar hen toe, in de veronderstelling (37b) dat zy zyn zoon wel zouden ontzien. (38a) Maar toen de wynbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: (38b) Dat is de erfgenaam; (38c) vooruit, laten we hem vermoorden en ons zyn erfenis toeeigenen. (39) Ze grepen hem vast, wierpen hem de wyngaard uit en doodden hem.

MC. 12,6-9
(6a) Hy had nu niemand meer dan zyn geliefde zoon. (6b) Die stuurde hy als laatste naar hen toe, in de veronderstelling: (6c) Myn zoon zullen ze wel ontzien. (7a) Maar die wijnbouwers zeiden onder elkaar: (7b) Dit is de erfgenaam; (7c) vooruit, laten we hem vermoorden, (7d) dan zal de erfenis voor ons zyn. (8a) Ze grepen hem vast, doodden hem (Sb) en wierpen hem buiten de wyngaard.

Lc. 20,13-15a
(13a) Nu zei de eigenaar van de wyngaard: (13b) Wat kan ik nu nng doen? (13c) Ik zal myngeliefde zoon sturen; (13d) hem zuIlen ze toch wel ontzien. (14a) Maar toen de wynbouwers die zagen, overlegden ze onder elkaar en zeiden: (i4b) Dat is de erfgenaam; (14c) laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis voor ons zyn. (15a) En ze wierpen hem buiten de wyngaard en doodden hem.

Bij een menselijke vader zou de in Mt.21,37par. beschreven handelwijze van de wijngaardenier dwaas genoemd moeten worden. Welke vader immers zou zijn enige zoon opofferen, vooral als er, zoals hier, sprake is van een uitzichtloze zaak? Alleen met betrekking tot God wordt dit volkomen irreele detail van onze parabel begrijpelijk. Het is kennelijk bedoeld om licht te doen vallen op de oneindige liefde van de hemelse Vader jegens de mensen, een liefde welke alle menselijke begrippen te boven gaat. `Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad, datHij zijneniggeborenZoonheeftgegeven' (Joh.3,16).

De overweging van de wijnbouwers bij Mt.21,38b-c par. klinkt volslagen dwaas. Hoe zouden ze clan mogen verwachten dat de eigenaar van de wijngaard de moord op zijn enige zoon ongestraft zal laten en hun bovendien nog de wijngaard zal schenken? Deze hoogst onwaarschijnlijke trek is kennelijk bedoeld om de totale verblinduig der toenmalige joodse leiders, welke hen er toe bracht Christus te vermoorden, te accentueren.

Dat Jezus met de `zoon' zichzelf bedoelde en in de zending en vermoording van de `zoon' op zijn eigen zending en dood
wilde wijzen (onze passage, Mt. 21,38v. par., is een bedekte lijdensvoorspelling), valt met te betwijfelen. Het is echter de
vraag of de toehoorders van Jezus bij de `zoon' aan de Messias hebben gedacht. Het is namelijk niet te bewijzen dat de uitdrukking `Zoon van God' als aanduiding van de Messias ten tijde van Jezus in het jodendom werd gebruikt. Pas in de rabbijnse literatuur uit een veel latere tijd vindt men enige bewijzen voor deze (vermoedelijk naderhand onder christelijke invloed ontstane) Messiasaanduiding. Desondanks zal men nauwelijks met voldoende stelligheid mogen beweren dat deze Messiasaanduiding de toenmalige joden in het geheel niet bekend was. Men vindt haar immers reeds in het Oude Testament; vgl. vooral de beide plaatsen 2 Sam.7,14 (`Ik (Jahwe) zal hem (de messiaanse nakomeling) tot ecn vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn') en Ps. 2,7 (`Mijn zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt'), die toen reeds messiaans werden geduid.

In ieder geval staat vast dat de oerkerk in de zoon van de parabel Christus zag. Dit blijkt uit de `christologische' verduidelijking die bij Mt. 21,39 en Lc. 20,15a tegenover Mc.11,8a-b kan worden geconstateerd: Volgens de Marcus-versie van deze plaats, die oorspronkelijker is dan die van Matteiis en Lucas, wordt de zoon eerst gedood en zijn lijk vervolgens buiten de wijngaard geworpen. Deze handelwijze van de wijnbouwers vormt het toppunt van goddeloosheid: ze brengen de zoon niet alleen om, maar laden bovendien ook nog de allergrootste smaad op hem door zijn lijk niet te begraven. Dit in tegenstelling tot Matteus en Lucas, waar de zoon eerst buiten de wijngaard geworpen en buiten gedood wordt. Deze omzetting, door de oerchristelijke verkondiging naderhand aangebracht - kennelijk onder de indruk van het feit dat Christus `buiten de (stads)poort' (Hebr. 13, 12), d.i. buiten de muren van het toenmalige Jeruzalem, is gestorven - heeft in het eerste en derde evangelie haar neerslag gevonden.

Het slot van de parabel, waar over het strafgericht wordt gesproken, dat de eigenaar van de wijngaard na zijn terugkeer
over de misdadige wijnbouwers zal houden, bezitten we in ecn tweevoudige versie. Terwijl Jezus bij Marcus (12,9a) en
Lucas (20, 15b) door middel van een retorische vraag die Hij vervolgens (Mc. 12,9b-c;Lc.20,16a-b) zelf beantwoordt, op het verschrikkelijke lot van de wijnbouwers wijst, stelt Hij bij Matteus (21i,40) de vraag aangaande de bestraffing van de wijnbouwers aan de toehoorders. Dezen laten zich dan ook - zoals reeds eerder bij Mt. 21, 31 (gelijkenis van de twee zonen) - prompt door deze strikvraag vangen zodat zij, zonder het aanvankelijk in de gaten te hebben, zichzelf door hun juiste antwoord (Mt.21,42) vonnissen:

Mt.21,40 v.
(40a) Wanneer nn de eigenaar van de wyngaard komt, (40b) wat zal hy dan wel met die wynbouwers doen? (41a) Ze arrtwoordden Hem: (41 b) Hjj zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven (41c) en zyn wyngaard zal hy aan andere wynbouwers verpachten, (41d) die hem de opbrengst op de vastgestelde tyd zullen afdragen.

MC. 12,9
(9a) Wat zal nu de eigenaar van de wyngaard doen? (9b) Hij zal kamen, de wynbouwers ter dood brenqen (9c) en de wyngaard aan anderen geven.

Lc. 20, 1 5b-16
(15b) Wat zal nu de eigenaar van de wyngaard met hen doen? (16a) Hy zal komen, de wynbouwers ter dood brengen (16b) en de wyngaard aan anderen geven. (16c) Toen ze dat hoorden, zeiden ze: (16d) Dat nooit!

Na zijn terugkeer legt de eigenaar van de wijngaard de wijnbouwers een tweevoudige straf op:

1) De wijnbouwers zullen een ellendige dood sterven (Mt. 21, 41b par.). Deze profetie werd in 70 n.Chr. vervuld. Toen het Romeinse leger Jeruzalem naderde om de heilige stad te belegeren, bleven de joodse leiders met een groep radicaal nationalistisch georienteerde zeloten in de stad om haar tot het uiterste te verdedigen. Volgens Flavius Josephus vielen zij in de handen van de veroveraars en werden voor het merendeel op wrede wijze ter dood gebracht. Gedachtig aan Christus' woord (bij Mt. 24, 15 v. par.) hadden de christenen van Jeruzalem de stad reeds lang tevoren verlaten en waren, zoals Eusebius meedeelt, naar het bergland in her Overjordaanse gevlucht.

2) In tegenstelling tot Jes.5,5v., waar in bet begin van onze parabel (Mt.21,33bpar.) duidelijk op werd gezinspeeld, wordt in de gelijkenis van de wijnbouwers de wijngaard niet verwoest, maar `aan andere wijnbouwers verpacht' (vgl. Mt.21, 41c par.).

Wat wordt er met de nieuwe `verpachting' van de wijngaard bedoeld? En vooral: wie zijn toch die `andere' pachters?
Deze beide vragen worden door de exegeten verschillend beantwoord.

Vaak hoort men de opvatting dat de bewuste passage er op zinspeelt dat Israel (de `wijngaard') zal worden bevrijd van zijn leiders (de misdadige `wijnbouwers') en dat de leerlingen (volgens anderen: de `armen') de nieuwe leiders zullen zijn. Dit strookt echter niet met het feit dat er geen enkel woord van Jews is overgeleverd volgens hetwelk de leerlingen of de 'atmen' eens speciaal zullen worden belast met bet leiderschap over bet eigen volk. Volgens de oude overlevering hebben de apostelen, met uitzondering van Jakobus de oudere, na aanvankelijk onder de joden te hebben gewerkt, zich er spoedig van afgewend om zich voortaan voornamelijk aan het werk onder de heidenen te wijden. Over de `armen' echter meet worden opgemerkt dat Jezus hun wel her deel hebben aan de Godsheerschappij (Mt. 5,3 par.) in het vooruitzicht heeft gesteld, maar niet de leiding over Israel.

J. Schrrud zal wel gelijk hebben wanneer hij stelt dat aan het slot van de gelijkenis niet meer nauwkeurig wordt vastgehoudcn aan de uitleg dat met de wijngaard Israel wordt bedoeld en dat dus in Mt. 2i,4ic met de wijngaard niet meer, zoals tot nu toe in de parabel, bet volk Israel, maar speciaal Israe'ls uitverkiezing tot Godsvolk wordt bedoeld. Deze uitverkiezing, waarin Israel zich tot dan toe verheugde, zal nu `aan anderen' gegeven worden omdat Israel haar niet waard bleek te zijn. Wie die `anderen' zijn en hoe zij zich jegens God zullen gedragen nadat dc wijngaard hun is toevertrouwd, komt in onze gelijkenis niet ter sprake (Mt. 21,41d `die hem de opbrengst op de vastgestelde
tijd zullen afdragen' is ongetwijfeld een toevoeging uit de tijd van de oerchristelijke verkondiging.)

De betekenisverandering van `wijnberg', die zich volgens Schmid en ook volgens ons in Mt.22,41c par. voltrekt, heeft
tcn gevolge dat onze gelijkenis, zoals aan het slot van de parabcl pas duidehjk wordt, is gericht tot de leiders van bet volk niet als individuen, maar als representanten van het hele joodse volk.

Wie die `andere' pachters van de wijngaard zijn, daarover hecft Jezus zijn toehoorders niet ingelicht. De vroegchristelyke verkondiging daarentegen interpreteerde de `anderen' als de heidcnen die als het nieuwe Israel, her `Israel Gods' (Ga1.6,16), de plaats van het uitverkoren volk van weleer, het `Israel naar het vices' (1Kor.10,18), moesten innemen. Deze reeds in Mt.21, 7d (`andere... die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen') meeklinkende vroegchristelijke opvatting zal hij Mt.21,43 (eveneens een vers dat alleen bij Matteiis voorkomt) duidelijk naar voren treden.

Door de alleen in het derde evangelie voorkomende vermelding van de interruptie (LC. 20,16c-d) der over de verschrikkelijke strafaankondiging (Lc.20,16a-b;Mc.12,9b-c;vgl.Mt.21, 41b-c) ontzette toehoorders, brengt Lucas - dit is kenmerkend voor hem, de `schrijver' - de verbinding tot stand met het niet meet van Jezus stammende parabelaanhangsel (Mt. 21,42-46 par.) dat bij alle drie de synoptici met een citaat uit Ps. 118,22 v.
begint:

Mt. 21,42
(42a) Toen sprak Jezus tot hen: (42b) Hebt gy nooit in de Schrift gelezen: (42c) `De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, (42d) is juist de hoeksteen geworden. (42e) Op last van de Heer is dat gebeurd (42f) en bet is wonderbaar in onze ogen' (Ps. 118,22 v. ) ?

Mc. 12, 10 v.
(10a) Hebtge deze schrtftplaats nietgelezen: (10b) `De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, (10c) is juist de hoeksteen geworden. (11a) Op last van de Heer is datgebeurd (11 b) en het is wonderbaar in onze ogen' (Ps. 118,22v.)?

Lc. 20, 17v.
(17a) Maar Hy keek hen aarv en zei: (17b) Wat betekent dan dit schriftwoord: (17c) `De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, (17d) is juist de hoeksteen geworden' (Ps. 118,22)? (18a) Iedereen die op deze steen valt, valt te pletter; (18b) en op wie by valt, hem zal by verbryzelen.

De parabel van de misdadige wijnbouwers eindigde oorspronkelijk met de aankondiging van het strafgericht dat de moordenaars van de `zoon' zullen ondergaan (Mt.21,40v.par.). Dat Mt.21,42par. oorspronkelijk met tot onze gelijkenis heeft behoord, blijkt uit het feit dat hier de tekst verder gaat dan het onmiddellijk er aan voorafgaande gelijkenisverhaal. In Mt. 21, 42 par. wordt immers op de rehabilitatie van de zoon, op diens verheffing gezinspeeld; daarover werd eerder in het gelijkenisverhaal niet meer gesproken.

Met zijn verwijzing naar Ps. 118,22 v. (waarschijnlijk bij een andere gelegenheid) wilde Jezus te kennen geven dat zijn `verwerping', d.i. zijn aanstaande overlevering ten dode welke hem van de kant van de `bouwheden', d.w.z. de leiders van het joodse volk te wachten staat (`bouwlieden' is in de oude rabbijnse literatuur vaak een eretitel voor schriftgeleerden) zal worden gevolgd door zijn `verheffing'. Daarbij heeft Jezus echter nauwelijks gedacht aan zijn verrijzenis, maar eerder aan dc parousie, wanneer Hij `met macht en grote heerlijkheid' zal wederkomen (Mt. 24,30b par.; vgl.Mt.25,31a).

De oergemeente vatte de moord op de zoon in onze gehjkenis op als een zinspehng van Jezus op zijn dood, zoals dit door Jezus immers ook was bedoeld. Doordrongen als zij was van de beslissende heil-zaamheid van de op de kruisdood volgende vcrrijzenis waarmee Jezus zijn heilswerk tot voltooiing bracht, heeft de oerchristelijke prediking Jezus' woord over de verworpen en verheven `hoeksteen' aan de gelijkenis van de wijnhouwers toegevoegd (Mt.22,42par.; vgl.Ps. 118,22v.). Maar zij bracht het met de verryzenis van Jezus in verband. Dit strookte weliswaar niet met de betekenis die Jezus aan het `hoek-stcen'-woord had gegeven (waar de verheffmg van de door de
bouwheden verworpen steen tot hoeksteen door Jezus was be-clocld als een zinspeling op zijn parousie), maar toch kon de oergemeente zich beroepen op de lijdensvoorspellingen van de Heer (Mt. 16,22;17,22v.;20,17-19 en par.). In deze passages worden de dood en de verrijzenis van Jezus in een adem genoemd.

De door Jezus geciteerde psalmverzen (118,22 v.) zinspelen naar hun oorspronkelijke betekenis op de verheffing van het Israelitische volk waarmee Israels verdrukking door de heidenen (waarover in de verzen 20-23 wordt gesproken) zou eindigen. De oude rabbijnen brachten deze passage bij voorkeur in verband met de grote figuren uit het Oude Testament, in het bijzonder met Abraham of David. Toch kenden zij ook de messiaanse interpretatie van deze psalmverzen.

De Griekse uitdrukking kephale gonias bij Mt.21,42d par. (lett. hoofd- [steen] des hoeks') wordt meestal met `hoeksteen' vertaald. Dit kan aanleiding geven tot misverstand. Met `hoeksteen' wordt hier namelijk niet bedoeld wat men er in het dagelijks leven onder verstaat. Hoeksteen betekent hier dus niet de onder aan een buitenhoek van het huis (ter bescherming) aangebrachte steen. `Hoeksteen' betekent in ons psalmvers ook nauwelijks een steen die wordt ingevoegd in een door twee huismuren gevormde hoek ten einde beide muren zogenaamd beter met elkaar te verbinden, maar (volgens een recente opvatting) wellicht eerder de sluitsteen die waarschijnlijk boven het portaal werd ingezet; vg1.Lc.20,18b waar de hoeksteen `op' iemand `neervalt' hetgeen toch wel veronderstelt dat de hoeksteen ergens in de hoogte is aangebracht.

Volgens deze opvatting van `hoeksteen' betekent onze psalmplaats in de door Christus bedoelde zingeving her volgende:
Tegen de bedoeling van de `bouwlieden', d.w.z. de schriftgeleerden en hun geestverwanten, zal Christus eens de meest eervolle rol spelen doordat Hij na zijn voorafgaande `verwerping', d.i. na zijn veroordeling tot de smadelijke kruisdood, door God zal worden `verheven'; vgl. dezelfde gedachte bij Joh. 12,32.34;Apok.2,33;5,31;Pi1.2,8-11.

De tweede helft van bet psalmcitaat, Ps. 118,23 bij Mt. 21, 42e-f en Mc. 12,m, die irrelevant is voor de door Jezus bedoelde boodschap, treft men bij Lucas niet aan. In plaats hiervan vindt men daar het vreselijke dreigement van de Heer Lc.20, 18. Volgens dit vets zal de door de joden verworpen Christus niet alleen worden verheven (Lc. 20,17c-d; Mc.12,10b-c; Mt. 21,42c-d), maar zal Hij bovendien onheil brengen over degenen die Hem hebben verworpen (Lc. 20, 18). Tengevolge van hun ongeloof zullen velen op Christus te pletter vallen (Lc. 20, 18a; vgl.Lc.2,34b: Christus is bestemd tot val van velen in Israel). Maar wanneer Christus, de `hoekstecn', eens in al zijn heerlijkheid als rechter zal verschijnen, zal Hij zijn geestelijke tegenstanders onbarmhartig `verbrijzelen' (Lc.20,18b).

Volgens Mt.21,43 (zonder parallel bij Marcus en Lucas) zou Jezus aan bet slot van de parabel de voor de toehoorders eruit voortvloeiende toepassing (vgl. `Daarom' 43a), die Hij tevoren reeds bedekt had aangeduid (43b-d wijst terug naar 41c-d), ook nog uitdrukkelijk op de voorgrond hebben geplaatst:

Mt. 21,43
(43a) Daarom zeg ik u: (43b) het Ryk Gods zal u ontnomen worden (43c) en gegeven aara een volk (43d) dat wel de vruchten daarvan opbrengt.

Met de vruchten van het Godsrijk worden de goede werken bedoeld. Door goede werken te doen tonen de mensen immers dat de Godsheerschappij in hen werkzaam is.

Uit het feit dat de hier toegesprokenen (`u' 43a) tegenover een totaliteit, n.l. tegenover een pas door God uitverkoren
'volk' (43c), worden gesteld, blijkt opnieuw (vgl. hetgeen hierboven over Mt. 21,40v.par, werd gezegd) dat deze gelijkenis althans volgens de door Matteiis weergegeven opvatting der oerchristelijke verkondiging die ons vers aan de parabel van de Wijnbouwers heeft toegevoegd - niet tegen de hogepriesters, schriftgeleerden en Farizeeen (vgl. aansluitend Mt.21,45a; Lc. 30, 1c>a) persoonlyk is gericht, maar tegen hen als representanten van het gehele joodse volk. Zoals de oerschristelijke verkondiging het heeft begrepen gaat deze gelijkenis dus uiteindelijk het Joodse volk als totaliteit aan. Aan dit volk wordt in ons vers uitdrukkelijk de verwerping aangekondigd: het volk van Israel, dat God tot zyn volk had uitverkoren (vgl. Ex. 29,s ; Deut. ~ 7,b; 14,2 ; Jes. 1,3 ; Jer. 7,23 ; Ez. 37,27), zal ophouden Gods volk
te zijn. In zijn plaats zal er een nieuw Godsvolk komen dat - in tegenstelling tot het oude - aan Gods heilsbedoehngen za1 beantwoorden (43d). Het op Mt. 21,43 volgende `vers 44' komt slechts in de Vulgaat voor en stemt nagenoeg geheel overeen met Lc. 20, 18. Het is een latere invoeging in de Matteustekst die van het zojuist genoemde Lucasvers afkomstig is en dus behoort te worden geschrapt.

Ter afsluiting berichten alle drie de synoptici over het feit dat de aanwezige joodse leiders doorhadden dat Jezus hen bedoelde. Daarom zonnen zij op een middel om zich van Hem meester te maken. Vanwege het grote aanzien dat Jezus bij het volk genoot zagen ze voorlopig van hun plan af:

Mt. 22,45 v.
(45a) T'oen de hogepriesters en Farizeeen zyn gel'y'kenissen gehoord hadden, (45b) begrepen ze dat Hy over hen sprak. (46a) Zy zonnen dus op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, (44b) omdat men Hem voor een profeet hield.

Mc. 12,12
(12a) ZY zonnen nu op een middel om zich van Hem meester te maken, (12b) maar ze waren bang voor het volk, (12c) want ze begrepen dat de gelykenis die Hy vertelde, op hen sloeg. (12d) Zo lieten ze Hem met rust en verwyderden zich.

Lc.20,19
(19a) De schr ftgeleerden en de hogepriesters zochten op dat ogenblik de hand op Hem te leggen, (19b) want ze begrepen dat de gelykenis die Hy vertelde op hen zelf sloeg.

Blijkens de meervoudsvorm `zijn gelijkenissen' bij Mt. 21,45a heeft volgens de opvatting van de eerste evangelist ook de eveneens tegen de tegenstanders gerichte gelijkenis van de twee zonen (Mt.21,28-33) er toe bijgedragen dat zij het plan opvatten Jezus gevangen te nemen. Volgens de voorstelling bij Matteus heeft Jezus deze gelijkenis onmiddellijk v6or die van de wijnbouwers verteld.

Men heeft het willen voorstellen alsof de gelijkenis van de misdadige wijnbouwers pas later door de oergemeente is geformuleerd. Men wees dan vooral op de erin voorkomende irreele trekken, die in deze parabel meer opvallen dan in de overige parabels van Jezus. Dit komt zowel door hun bijzonder stcrk paradox karakter als door hun frequentie. Van deze irrecle trekken moeten vooral genoemd worden het in de profine werkelijkheid onbegrijpelijke reuzegeduld en de onverklaarbare zwakheid van de eigenaar van de wijngaard die duldt dat zijn pachters de dienaars na elkaar ongestraft mishandelen (Mt. 21,35v.par.), en na dit alles ook nog bereid is zijn enige zoon op te offeren (Mt. 21,73 par.). Al even onwaarschijnlijk is (zuiver profaan gezien) de onbeschaamdheid waarmee de pachters zich verstouten de gevolmachtigde afgezanten van hun pachtheer gruwelijk te mishandelen, alsook hun verbeelding tc menen dat zij na de moord op de zoon eigenaar van de wijngaard zouden worden.

In alle gelijkenissen van Jezus vindt men immers in meerdere of mindere mate irreele, van meet af aan allegorisch bedoelde trekken. Zoals het moderne parabelonderzoek heeft aangetoond zijn deze trekken karakteristiek voor de parabels van de Heer. Derhalve zijn zij geen argument tegen de echtheid der parabels, maar integendeel een krachtig bewijs voor het feit dat de gelijkenissen van Jezus, zoals de evangelisten ons die hebben ovcrgeleverd, in hoofdzaak van Jezus afkomstig zijn.

A1 staat het dus vast dat de parabel van de wijnbouwers, zoals Jezus haar heeft verteld, reeds allegorische, d.i. naar de godsdienstige werkelijkheid verwijzende en slechts van deze realiteit uit begrijpehjke trekken vertoonde, toch wordt daarmee niet ontkend dat de oergemeente de allegorisering van onze gelijkenis verder heeft bespoedigd. Zo heeft de oerchristelijke verkondiging bijvoorbeeld de in de `dienaars' van de eigenaar geimpliceerde (en nauwelijks te loochenen) verwijzing naar de oudtestamentische profeten, de `dienaars van Jahwe', nog onderstreept. Ze heeft namelijk - met het oog op het grote aantal profeten van het Oude Verbond - de alleen bij Mc. 12,5c overgeleverde, kennelijk secundaire plaats `en nog verscheidene anderen (t.w. knechten stuurde hij er heen) enz.' in de parabel toegevoegd.

Daar het oerchristendom verder in de verpachting van de wijngaard aan `anderen' (Mt. 21,41c par.) een zinspeling zag op de opneming van de heidenen in de nieuwe Godsgemeenschap, die de plaats van Israel, het oude Godsvolk, had ingenomen, werd - in deze visic - het heilshistorisch beeld afgerond. Zo werd dus de parabel van de wijnbouwers, welke door Jezus was bedoeld als een bedekte lijdensvoorspelling en als een profetie van het komende strafgericht over zijn tegenstanders, in de visie van het oerchristendom voornamelijk een uitbeelding van de heilsgeschiedenis in haar belangrijkste tijdvakken: de tijd voor Christus - de komst van Christus in de wereld - zijn dood en verrijzenis als de beslissende heilsfeiten - de verwerping van Israel en de schenking van het heil aan de heidenen in de tijd na pasen.

`Nadat God eertyds vele malen en op velerlei wyzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hy nu, op het einde der tyden, tot ons gesproken door de Zoon, die Hy erfgenaum gemaakt heeft van al wat bestaat' (Hebr. 1, l v.).