NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
 Kerkelijk Jaar
Hoofddienst  Getijden Devotie Uitingsvormen 

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw




DE MENS - GODS SCHULDENAAR GELIJKENIS VAN DE ONBARMHARTIGE I{NECHT [Mt. r 8,23-3 5]
Onze gelijkenis wordt in het eerste evangelie onmiddellijk voorafgegaan door de perikoop van de vergevingsgezindheid (Mt.I8,2r v). De hoofdgedachte van deze perikoop valt niet geheel samen met die van de gelijkenis, want bij Mt.z8,2r v gaat het om de vraag hoe dikwyls men zijn medemens moet vergeven. De gelijkenis daarentegen gaat over de plicht tot vergeven zonder meer. Nietternin mag men deze gelijkenis opvatten als een voortzetting en bekrachtiging van Jezus' aansporing in vers 22 om onbeperkt te vergeven. In ieder geval heeft de eerste evangelist deze gelijkenis zo verstaan. Dit blijkt uit het inleidende `daarom' van vers 23a.
Mt.I8,23-27
(a3a) Daarom gelykt het Ryk der hemelen op een koning (23b) die rekening en verantwoording wilde vragen ann zyn dienaren. (zqa) Toen hy hiermee begon, (zq b) bracht men iemand by hem die tienduizend talenten schuldig was. (zsa) Daar hy niets had om te betalen (asb) gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kindereta en al wat hy bezat (asc) om zo de schuld te vereffenen. (26a) De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: (a6b) Heer, hebgeduld met my (z6c) en ik zal u alles betalen. (z7a) De beer kreeg medelydera met die dienaar, liet hem yaan (z7b) en schold hem de geleende som kwyt.
De eerste evangelist gebruikt de voor hem karakteristieke inleidingsformule van 23a (vg1.Mt.I3,24b;22,2 a; 25,Ia) niet alleen bij de eigenlijke gelijkenissen over het Rijk der hemelen (hieronder verstaan we de parabels die een bepaald aspect van
het Godsrijk veraanschouwelijken, zoals dit met name bij de zeven gelijkenissen van het parabelhoofdstuk Mt.r3 bet geval is). Met deze formule worden ook die parabels ingeleid die - zoals in ons geval en bij Mt.25, I-r 3 (gelijkenis van de tien bruidsmeisjes) - tot een gezindheid willen opwekken die slechts indirect iets met her Godsrijk van doen heeft, voorzover de bewuste zielsgesteldheid (in ons geval de verzoeningsgezindheid, bij Mt.25,r-I3 her voortdurend gereed zijn voor de komst van de Heer) een noodzakelijke voorwaarde is om deel te krijgen aan het Rijk van God.
De in 23a `koning' genoemde hoofdfiguur van de gelijkenis, die verderop in de parabel slechts met `heer' wordt aangeduid, bezit diverse irreele trekken. We denken hierbij aan de bepaald `koninklijke' edelmoedigheid van de beer (VS 27), die psychologisch gezien nauwelijks begrijpelijk is. Aanvankelijk blijkt de vertoornde koning vastbesloten strikt rechtvaardig te zijn. Zijn bevelen in vers 25 moeten op de eerste plaats als een uiting van zijn toorn worden opgevat. De opbrengst die bij de verkoop van het gezin en bet bezit van de schuldenaar verwacht kon worden, stond immers in geen verhouding tot de enorme schuld (ro.ooo talenten = rninstens dertig miljoen gulden). Maar onmiddellijk daarop beh.andelt hij de schuldenaar met een weergaloze mildheid en goedgeefsheid. Want in een handomdraai scheldt hij hem de reusachtige schuld, die zelfs voor een staat waarachtig geen peulschilletje zou zijn, kwijt.
Ondertussen heeft de parabelverteller de handelwijze van de koning jegens zijn schuldenaar opzettelijk zo onwaarschijnlijk voorgesteld. Op deze wijze worden de toehoorders zich reeds bij het begin van de gelijkenis ervan bewust dat met de hoofdfiguur van de parabel niet een aardse heerser, maar God wordt bedoeld bij wie absolute rechtvaardigheid gepaard gaat met barmhartigheid.
Om dezelfde reden werd ook de schuld in de parabel opzettelijk overdreven - zo.ooo was het hoogste getal waarmee men in de oudheid rekende, het `talent' was in het toenmalige VoorAzie de grootste munteenheid -, om de toehoorders te doen
beseffen dat de io.ooo talenten de onmetelijke schuld van de zondaar jegens God verzinnebeelden. Een schuld die de mens nit eigen kracht nooit zal kunnen vereffenen. Tevens krijgt daardoor Gods vergevingsgezindheid, die alle begrip te boven gaat, alle aandacht. Door de overdreven hoge som die de dienaar - we zullen hem A noemen - zijn heer verschuldigd is, wordt ook het grote verschil tussen de enorme schuld van A en de hem door de andere dienaar verschuldigde som van ioo denarien naar voren gebracht.
Met de `dienaren' worden vermoedelijk hoge ambtenaren (`ministers') van de koning bedoeld; vgl. z Sam. 8, 14. De enorme schuld van io.ooo talenten kan men beschouwen als belastingopbrengst die A als koninklijk stadhouder - men denke bijvoorbeeld aan de positie van een Perzische satraap -van de onder hem ressorterende provincie aan zijn koning had moeten afdragen.
De straf die de koning hem oplegt is inderdaad zwaar, maar volgens de toenmalige rechstbegrippen niet onrechtvaardig. Weliswaar konden op grond van de moza3sche Wet (Ex.2z,3) alleen degenen die niet in staat waren te betalen als slaaf worden verkocht, doch Met hun vrouwen en kinderen. In feite echter schijnt het in bepaalde tijden bij de joden gebruikelijk te zijn geweest dat ook de vrouw en de kinderen van de schuldenaar werden verkocht; vgl.z Kon.4,i (verkoop van kinderen); vgl. verder Ex.ai,3 waar staat dat de vrouw het lot van haar in slavernij weggevoerde man moest delen. Volgens de oude rabbijnse geschriften was in Jezus' tijd het verkopen van de echtgenote, niet echter van de kinderen, verboden. Daarom kan het feit dat de vrouw als executie-object wordt genoemd (zsb) worden toegeschreven aan de invloed van buitenlandse, met name Romeinse rechtsopvattingen (daar kon de executie zich ook tot de vrouw van de schuldenaar uitstrekken).
De woorden van dienaar A (26b-c) die zijn mededienaar B in 29b-c nagenoeg letterlijk zal herhalen, zijn nit het leven gegrepen: `Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen'. Dat zijn immers de bekende mooie beloften die schuldenaars te allen tijde nagenoeg letterlijk plegen te herhalen, wanneer zij tot
terugbetaling worden aangemaand. Dienaar A vraagt de koning slechts om uitstel van executie. Hij bekrachtigt zijn verzoek met de nauwelijks geloofwaardige belofte dat hij het gehele deficiet zal trachten te vereffenen door zijn provincie voortaan zorgvuldig te besturen (26c). De edelmoedigheid van de koning (vs 27) gaat het verzoek van zijn schuldenaar ver te boven door hem niet alleen uitstel van betaling, maar zelfs algehele kwijtschelding te verlenen.
Met vers 28 begint het tweede tafereel van de parabel dat een schreeuwend contrast vormt met het voorafgaande: de ontmoeting van dienaar A met zijn mededienaar B die bij hem in het krijt staat:
Mt. i 8, z8-3 0
(z8a) Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hy daar een andere dienaar (a8b) die hem horaderd denarien schuldig was; (a8c) hy greep hem by de keel en zei: (a8d) Betaal wat je schuldig bent. (zga) De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: (zgb) Heb geduld met my en ik zal u betalen. (3oa) Maar hy weigerde (3ob ) en liet hem zelfs in de gevangenis zettera, totdat hy zyn schuld betaald zou hebben. ,
Mededienaar B moet men zich wellicht voorstellen als landvoogd van een provincie van het koninkrijk, dus als iemand in dezelfde positie als A (het voorvoegsel `mede-' van het woord `mededienaar' duidt op dezelfde rang) en vermoedelijk geen ondergeschikte van A. De koning had zijn provinciestadhouders immers (naar het schijnt alle op dezelfde datum) bij zich ontboden omdat hij hun rekening en verantwoording wilde vragen (VS 23 v). Waarschijnlijk waren allen tegelijkertijd aanwezig, ook A en B.
Vergeleken bij de reusachtige som van ro.ooo talenten zijn de honderd denarien maar een peuleschil. Indien volgens Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae y, par. z9o en 323) het talent in het toenmalige Palestina de waarde van io.ooo denarien be-
zat, bedroeg de schuld van B slechts een milj oenste van die van A. Men lette op de ruwe en onbarmhartige wijze waarop A met zijn mededienaar B omspringt (z8c. 3oa-b). Dit gedrag is des te weerzinwekkender nu A even tevoren (VS 27) in een soortgelijke situatie zo bijzonder clement behandeld was. Door zijn schuldenaar B in de gevangenis te laten zetten, totdat deze zijn schuld betaald zou hebben (3ob), handelde A niet bepaald onrechtvaardig. Gijzeling was toentertijd immers een algemeen gebruikelijke procedure (vg1.Mt.5,25 v). Men kan er echter over twisten of de gevangenzetting van schuldenaar B een geschikte manier was om de schuld terug te krijgen. Als we niet aannemen dat B door zijn gevangenisstraf tot betaling van eventueel tot dan toe verdonkeremaande goederen gedwongen moest worden of dat zijn vrienden er toe aangezet moesten worden voor hem in te springen, is dit weer een irreele trek in onze parabel. In ieder geval wilde de parabelverteller met dit detail aantonen dat A zijn mededienaar B strenger behandelde dan de koning hem aanvankelijk wilde behandelen (vg1.25b). Toentertijd was het lot van een gevangene immers zwaarder dan dat van de slaaf die in tegenstelling met de gevangene geen gebrek behoefde te lijden.
B's verzoek om uitstel van betaling (29b-c) had de hardvochtige schuldeiser A zowel moeten herinneren aan het verzoek dat hij kort tevoren in nagenoeg dezelfde bewoordingen voor de koning had gestameld (26b-c) als met name ook aan de hachelijke situatie waaraan hij zojuist zelf was ontsnapt. Men is geneigd het vanzelfsprekend te vinden dat A, gezien de zoeven door de koning aan hem betoonde weergaloze edelmoedigheid, ook B met begrip en goedheid zou bejegenen. Niettemin kiest hij wreed de wettelijke procedure (vs 30).
Met vers 3 i begint het derde en laatste tafereel - de onbarmhartigheid van A wordt gestraft:
Mt.i8,3 i-34
(3i) Toen nu de overige dienaars zagen wat ergebeurd was, waren
zy diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. (3za) Daarop liet de heer hem roepen en sprak: (3zb) Jy lelyke knecht, heel die schuld heb ik je kwytgescholden, (3ac) omdat je my erom gesmeekt hebt. (33a) Had jy dan ook geen medelyden moeten hebben met je mededienaar, (33b) zoals ik met jou medelyden heb gehad? (34) En in toorn ontstoken leverde zyn heer hem over aan de beulen, totdat hy zyn hele schuld betaald zou hebben.
De verontwaardiging van de mededienaars (vs 3 i) en de toorn van de heer (vs 34) keren zich tegen de onmenselijkheid en niet tegen de onrechtvaardigheid (in eigenlijke zin) van A. Zuiver juridisch gezien kon er tegen de handelwijze van A nauwelijks iets worden ingebracht. (Het onbeheerste en ruwe gebaar in 28c wordt niet extra belicht.) Bijgevolg gaat het jij had... moeten' (33a) niet om een niet nagekomen wettelijke verphchting, maar om een niet in acht genomen doch - beslist noodzakelijk - gebod van wellevendheid ( jij had moeten' _ `het zou passend geweest zijn dat...'). Nadat A in heel bijzondere mate de barmhartigheid van de koning had ondervonden, zou het in ieder geval passend geweest zijn B dezelfde barmhartigheid te betonen. Dit temeer daar de tegemoetkomendheid waar B om had gevraagd in geen verhouding stond tot de edelmoedigheid die de koning hem te voren had bewezen.
De heer behandelt A nu strenger dan hij aanvankelijk(vs zs) van plan was geweest. Hij levert hem over aan de betilen. Door middel van de bij de Romeinen gebruikelijke, in Israel voor het eerst onder Herodes de Grote toegepaste foltering trachtte men onwillige schuldenaars te dwingen met hun verdonkeremaande goederen voor de dag te komen.
Merkwaardig is het dat de heer de aanvankelijk onvoorwaardelijk kwijtgescholden schuld (vgl. 27b) nu weer doet gelden. Deze menselijke trek van de heer is blijkbaar bedoeld om Gods hevige afkeer van degene die geen medelijden heeft met zijn medemens te illustreren. Maar als het hier om een antropomorfisme gaat, dan mag uit deze passage niet worden geconcludeerd dat de oude, reeds door God vergeven zonden weer her-
leven, zodra men nieuwe zonden doet. Wat dit betreft doet men er goed aan zich aan de opvatting van Thomas van Aquino (II, qu.88, art. r-4) te houden. Volgens hem kan er in zo'n geval alleen inzoverre sprake zijn van een herleven der reeds vergeven zonden als door elke nieuwe zonde met het oog op de reeds vergeven fouten de ondankbaarheid jegens God groter wordt. Het laatste vers (35) bevat de toepassing van de parabel, zoals dit in 3 Sa door het inleidende `Zo' wordt aangeduid:
Mt. r8,35
(35a) Zo zal ook myn hemelse Vader met ieder van u handelen (35b) die niet zyn broeder van harte verg~enis schenkt.
`Van harte', d.w.z. oprecht en eerlijk - niet oppervlakkig en huichelachtig - moet men de falende medemens vergeven. Volgens vs 35 is de les van de parabel deze: Als we niet bereid zijn onze medemensen te vergeven, mogen we niet verwachten dat God onze zonden vergeeft. Positief gezegd: God vergeeft alleen dan onze zonden indien wij vergevingsgezind zijn jegens onze naaste. Vergevingsgezindheid moet voornamelijk voortkomen uit het besef dat de mens met een overgrote schuld voor God staat welke hij uit eigen kracht nooit zal kunnen verefFenen. Hij is veeleer totaal afhankelijk van Gods barmhartigheid.
De parabel van de onbarmhartige knecht veraanschouwelijkt op een indrukwekkende wijze de vijfde bede van het Onze Vader (Mt.6,i2 par.; vgl.Mt.6,i4 v). Daarin wordt de waarheid uitgesproken dat vergevingsgezindheid de veiligste manier is om van God vergiffenis van zonden te verkrijgen.
De eerste evangelist plaatst onze gelijkenis aan het slot van de leerrede tot de leerlingen (Mt. i8). Daarmee wil hij te kennen geven dat vergevende liefde noodzakelijk tot de geest van het ware discipelschap, d.w.z. van een echt christendom, behoort. De echte christen kan niet anders dan de vergiffenis die hijzelf van God ontving en waarvan de grootsheid alle begrip te bo
ven gaat, als het ware aan zijn medebroeder doorgeven.
`Want als gy aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gy met vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven' (Mt.d,i4 v; vgl. Me. 11, 25 ).
`Want onbarmhartig zal het oordeel zyn voor hem die geen barmhartigheid heeft bewezen, maar de barmhartigheid triomfeert over het oordeel' (Jak.a,i3).
`Hierin bestaat de liefde: met wy hebben God liefgehad, maar Hy heeft ons liefgehad, en Hy heeft Zyn zon gezonden om door het offer van zyn leven onze zonden nit te wissen. Vrienden, als God ons zozeer heeft liefgehad, moeten ook wy elkaar liefhebben' (i Joh. 14, 10 v).