NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
 Kerkelijk Jaar
Hoofddienst  Getijden Devotie Uitingsvormen 

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HijMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hijmnodie

Oud Joodse Hijmnodie
Vroeg Christelijke Hijmnodie
Griekse Hijmnodie tot 900AD
Latijnse Hijmnodie
Lutherse Hijmnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hijmnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw



 

Uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe [Mt. 13,36-43]

Mt. 13,36

(36a) Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug. (36b)
Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden: (36c) Leg ons de gelijkenis uit van dat onkruid op de akker.

De leerlingen vragen Jezus of Hij de gelijkenis van het onkruid wil verklaren. Van de beeldende helft van deze parabel (Mt. 13,24b-30) hebben zij vast nauwelijks veel nicer begrepen dan de volksmenigte die samen met hen naar de woorden van Jezus luisterde (vgl. 36a). In tegenstelling tot het volk `is het' aan de leerlingen `gegeven' de geheimen van het Godsrijk te kennen (vgl.Mt. 13, IT). Door deze `gave Gods' voelen zijn leerlingen - anders dan het volk - de diepere zin die in de parabel-beelden ligt en daarom vragen zij de Meester om een duidelijke uitleg.

Jezus gaat op hun verzoek in en geeft - volgens de voorstelling van Matteus - eerst (vers 37-39) een beknopte allegorische verklaring van de meeste afzonderlijke trekken van de beeldende helft :

Mt. 13,37-39

(37a) Hij gaf hun ten antwoord: (37b) Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon; (38a) de akker is de wereld; (38b) het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Rijk; (38c) het onkruid zijn de kinderen van het kwaad, (3ga) en de vijand die het zaaide, is de duivel. (3gb) De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen.

Opmerkelijk is de wijze waarop deze drie verzen worden uitgelegd. Elke trek afzonderlijk wordt in het kort verklaard, alle trekken op dezelfde manier, als het ware gelijkgerechtigd de ene trek na de andere. Een dominerende hoofdtrek waar de hoofdgedachte op steunt, een kenmerk van iedere parabel, is nergens te bespeuren. De uitleg van onze drie verzen bevat echter niet alle afzonderlijke trekken van de beeldende helft (Mt. 13,24b-30). Niet geduid worden de nacht als de tijd waarin de `vijand' (vgl. VS. as) zijn vernietigend werk verricht, de knechten (27a,28c), hun gesprek met de landeigenaar (27b-c, 28d) en, hetgeen vooral verbazing wekt, het bevel van de heer om onkruid en tarwe samen te laten opgroeien tot de oogst (30a), want blijkbaar valt daar het hoofdaccent in de beeldende helft van onze gelijkenis op.

In de parabel van de zaaier betekent het zaad het woord van God (vgl.Lc.8,21b). Maar hier wordt het goede zaad geduid als `de kinderen van het Rijk' - waarmee in dit geval alle mensen. worden bedoeld die de Godsheerschappij op zich hebben genomen - en het zaad van bet onkruid als `de kinderen van het kwaad' ; hiermee worden kennelijk alle mensen bedoeld die het met de satan houden. (Met `het kwaad' wordt waarschijnlijk de boze bedoeld; zo ook reeds bij Mt. 13, 19b). Als volgeling van satan, Gods tegenspeler van begin af aan, zijn de `kinderen van het kwaad' automatisch vijanden van de Godsheerschappij.

De akker wordt geduid als `de wereld', d.i. als = de (gehele) mensheid. Zij is immers het domein waarin Christus en later zijn leerlingen en hun opvolgers de Blijde Boodschap verkondigen. Het resultaat van hun evangelisatie-arbeid zijn 'de kinderen van het Rijk'. Maar ook de duivel werkt tegelijkertijd met zijn trawanten op hetzelfde akkerland en doet zijn zaad (`de kinderen van het kwaad') groeien. Deze coexistentic van twee groepen mensen: de `kinderen van het Rijk' en de `kinderen van het kwaad' zal duren tot de `oogst', d.i. tot bet einde van de wereld. De oogst, die reeds bij de profeten (vgl.Jes. 17, 5; Joel 3,18v.;Mich. 4,1a) en in de joodse apokriefen (vg1.4 Ezr. 4,28 vv. ; Apk-Bar. 70,a) herhaaldelijk wordt gebruikt als beeld van de eschatologische dag van het oordeel, komt in deze betekenis ook elders in het Nieuwe Testament voor; vgl. Mt. 3, iz ; Lc. 3, r 7 ;1VIc. 4,z9 ; Gal. 6,7 v. ; Apok. 14,14-20.

In de zojuist verklaarde verzen 37-39 werden, zoals we reeds hebben aangetoond, de meeste afzondcrlijke trekken van de beeldende helft van onze gelijkenis slechts beknopt uitgelegd. In de verzen 40-43 daarentegen wordt het bevel van de landeigenaar aangaande de oogst (Mt.13,30b-d) opvallend ampel besproken. Een uitleg die overigens ook al door de manier waarop dit gebeurt aanmerkelijk verschilt van de in vss. 37-39 toegepaste interpretatietrant:

Mt. 13,40-43

(40a) Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht en in het vuur verbrand, (40b) zo zal het ook gaan op het einde van de wereld. (41a) De mensenzoon zal zijn engelen uitzenden (41b) en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen allen die tot zonde verleiden (lett. al wat tot zonde verleid) en ongerechtigheid bedrwen (vgl. Sef. 1,3) (42a) om hen in de vuuroven te werpen, (42b) waar geween zal zijn en tandengeknars. (43a) Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader schitteren (Dan. 12,3) als de zon. (43b) Wie oren heeft, hij luistere.

Zoals juist werd opgemerkt begint met vers 40 plotseling een nieuwe wijze van uitleg die aanmerkelijk verschilt van die in de verzen 37-39. In tegenstelling met de zuiver allegorische verklaringswijze in de verzen 37-39 (men lette op de formulering `de akker [de vijand, de oogst] is de wereld [de duivel, het wereldeinde]', `het goede zaad' [het onkruid, de maaiers] zijn de kinderen van het Rijk [de kinderen van het kwaad, de engelen]) wordt in vers 4o de vergelijkende formulering, die eigen is aan de parabel, gebruikt (vgl. `zoals...' [40a] - `zo...' [40b].
Daarbij behouden de trekken van de beeldende helft die nu verklaard worden, namelijk het onkruid en het vuur, voorlo-
pig (40a) hun profane betekenis. Daarna (vers 42) wordt het onkruid geduid als beeld voor de slechten (`allen die ongerechtigheid bedrijven' [41b]) en bet vuur als beeld voor de hel, de plaats waar de slechten worden gestraft. Het zojuist genoemde verschil van uitleg in het verklarende deel van de onkruidparabel bij Mt.13,37-43 is opvallend. Volgens Mt.25,3a zal (wanneer men deze plaats letterlijk opvat) de oordeel vellende Mensenzoon zelf op de laatste dag de goeden van de slechten scheiden. Volgens onze gelijkenis is bet anders. Bij een logische en consequente voortzetting van vs. 30, volgens welk vers de maaiers bet onkruid verzamelen en verbranden, zijn het in vs. 41 de engelen (volgens 39c verzinnebeeld door de maaiers), die de slechten van de goeden scheiden.

Over de engelen wordt in 41b gezegd dat zij allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven uit het `Rijk van
de Mensenzoon' (`zijn' [41b] slaat op `Mensenzoon' [41a]) zullen uitstoten. De uitdrukking `skandala', `ergernissen', `al wat tot zonde verleid' (42b) moet persoonlijk worden opgevat; uit de samenhang blijkt dat met `skandala' de ergernisgevers, d.i. degenen die tot zonde verleiden, worden bedoeld.

Met `het Rijk van de Mensenzoon' wordt vermoedelijk de kerk bedoeld. In deze context wordt namelijk het `Rijk van de Mensenzoon' (41b) tegenover bet `Rijk van de Vader' (43a) geplaatst. Aangezien nu met het `Rijk van de Vader' zonder enige twijfel het eschatologische Godsrijk in zijn voleinding wordt bedoeld, zal het `Rijk van de Mensenzoon' als een grootheid binnen de tijd moeten worden opgevat en kan dus nauwelijks iets anders dan de kerk betekenen. Een vergelijking van vers 41 met de opvallend daarop gelijkcnde formulering van Mt. 16,18b wijst eveneens in deze richting. in Mt. 13,41 wordt gesproken over de Mensenzoon en `zijn' Rijk (41b) - bij Mt. 16,18b (`...op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen') spreekt Jezus over `zijn' kerk.

De vuuroven (42a) wordt hier - zoals ook elders in de evangelien (Mt.18,9;Mc.9,43-47v-; vgl. ook Mt.3,12;Lc.3,17) -
als beeld voor de hel gebruikt.

Tegenover bet eschatologische strafgericht over de slechten, dat in de verzen 40-42 naar verhouding vrij breedvoerig wordt geschetst, wordt in 43a in een aan Dan. 12,3 ontleende korte zin het heerlijke lot geschilderd dat de goeden te wachten staat.

Indien men, zoals in het bovenstaande reeds werd aangetoond, de uitdrukking 'het Rijk van de Mensenzoon' (vgl.41b)
op een voor de hand liggende wijze als = de kerk interpreteert, dan is de les van de parabel van bet onkruid op grond
van de bij Mt. 13,37-43 gegeven uitleg in het kort deze: Altijd zullen er in de kerk naast de `kinderen van het Godsrijk', dat wil in dit verband zeggen: naast goede christenen ook slechte christenen (`kinderen van het kwaad') zijn. Deze coëxistentie zal tot de laatste dag voortduren. Zo is het door God gewild.
De uitleg van de onkruidparabel in de bij Mt. 13,37-43 overgeleverde vorm kan echter nauwelijks van Christus afkomstig zijn.

Dit blijkt reeds uit bet verrassende feit dat dc clou, die in Mt. 13,30a zo duidelijk aanwezig is, in de beeldende helft van onze parabel ten enenmale geheel buiten beschouwing wordt gelaten.

Daarbij komt dan nog de reeds genoemde afwijkende verklaringswijze bij Mt. 13,37-43, een uitleg die nauwelijks aan
Christus kan worden toegeschreven.

Een bijzonder zwaarwichtig argument tegen de oorspronkelijkheid van bet verklarende deel der onkruidparabel bij Mt.
13,37-43 is de uitdrukking 'Rijk van de Mensenzoon' (41b) als aanduiding voor de kerk, een in de evangelien volkomen op zichzelf staand spraakgebruik. Bovendien komen in Mt. 13,37-43 verschillende uitdrukkingen voor die in de mond van Jezus zeer onwaarschijnlijk klinken, zoals `de boze' als benaming voor de duivel (de in de oude traditie gebruikelijke aanduiding is `satan'). Nog onwaarschijnlijker: `de kinderen van het Rijk' (38b) als beneming voor de ware burgers van her Godsrijk. Dit wijkt geheel af van het verdere gebruik dat Jezus van deze term maakt; vgl. Mt. 8,12 waar Jezus de joden bedoeld die hun deelgenootschap aan bet Godsrijk hebben verspeeld en nu vijanden van dat Rijk zijn.

Verder pleit tegen de oorspronkelijkheid van Mt. 13,37-43 nog het feit dat deze perikoop, zoals door J.Jeremias werd bewezen, opvallend veel karakteristieke taaleigenaardigheden van de eerste evangelist vertoont. Dit wettigt de veronderstelling dat de bij Mt. 23,37-43 gegeven parabeluitleg haar taalkundige formulering voornamelijk aan de eerste evangelist te danken heeft. (De beslissende inhoudelijke vormgeving zal waarschijnlijk reeds in de oergemeente zijn ontstaan).

Omdat dus de bij Mt. 13,37-43 overgeleverde uitleg van de onkruidparabel nauwelijks oorspronkelijk is, dienen we van de (in hoofdzaak stellig van Jezus afkomstige) beeldende helft bij Mt. 13,24b-30 uit te gaan ten einde de door Christus bedoelde zin te ontdekken. Pas dan is bet mogelijk de oorspronkelijke les van deze gelijkenis als volgt weer te geven: Zoals door de slechtheid van de `vijand' onkruid tussen de tarwe werd gezaaid (Mt. 13,25), zo vindt men - ook na het begin van de Godsheerschappij - tengevolge van bet werk van de duivel in deze wereld naast goede altijd ook slechte mensen. En zoals naar de wil van de landeigenaar onkruid en tarwe samen moeten opgroeien tot de oogst (vgl.Mt. 13,30a-b), en wel in het belang van de tarwe (vgl. vers 29), zo zal naar de wil van God ook de coexistentie van de slechten naast de goeden voortduren tot de laatste dag. Dit is nodig omdat deze coexistentie heilzaam is voor de goeden en dus geduldig ondergaan moet worden.

De parabel van het onkruid geeft - in de door Jezus bedoelde zin - antwoord op het moeilijke probleem hoe her moge-
lijk is dat de heerschappij van het kwaad (`de boze') in de wereld kan standhouden als met de komst van Christus Gods
heerschappij op aarde is begonnen. Volgens de in de parabel gegeven les is het een beschikking van God dat pas op het einde van de wereld her onkruid van het kwaad voorgoed vernietigd zal worden. God heeft zich voorbehouden, het onkruid van de tarwe te scheiden.

De oergemeente heeft in haar utleg van de onkruidparabel, welke ons bij Mt. 13,37-43 wordt overgeleverd, het begrip kerk (`Rijk van de Mensenzoon' vgl. 41b) ingebracht. Hierdoor werd de onkruidparabel, die wat haar beeldend deel (dat in hoofdzaak van Jezus afkomstig is) betreft (Mt. 13,24b-30), duidelijk over bet Rijk Gods ('Rijk der hemelen') gaat (vgl. Mt. 13,24b), tot de kerk beperkt. Maar tevens is hierdoor de Sitz van onze parabel im Leben der Urgemeinde duidelijk zichtbaar geworden. Door middel van deze parabel wilde de oerkerk een antwoord geven op het als knellend ervaren probleem dat er in de kerk ook slechte christenen voorkomen. Zij deed dit door aan de hand van deze gelijkenis ten eerste te wijzen op het feit dat de duivel ook in de kerk werkzaam is en ten tweede door eraan te herinneren dat deze toestand pas op de laatste dag zal ophouden. Zo heeft God dat gewild, de mens kan daar niets
aan veranderen.

De accenten van de oorspronkelijke parabel kwamen met alleen anders te liggen door het feit dat de oerchristelijke ver-
kondiging haar beperkte tot de kerk, maar ook door de schildering van het laatste oordeel (Mt. 13,40-43a) in het verklarende deel, dat opvalt door zijn breedvoerigheid tegenover de slechts korte verwijzingen naar het oordeel in het beeldende deel van de parabel (Mt. 13,30b-d). Door deze breedvoerige beschrijving van her oordeel, die psijchologisch gezien veel indruk maakte doordat ze aan het slot van het verklarende deel staat en dus gemakkelijk in het geheugen wordt bewaard, krijgt de parabel, die oorspronkelijk voornamelijk was bedoeld als een theologische onderrichting aangaande het Rijk Gods, een sterk parenetisch (vermanend) karakter. Want de oordeelsscene werd
door de oerchristelijke verkondiging kennelijk daarom zo breedvoerig en indrukwekkend geschilderd, opdat zij als na-
drukkelijke vermaning in de toehoorder zou nawerken: Leef zo dat je bij het laatste oordeel niet bij het `onkruid' maar bij de `tarwe' hoort!